2. Mosterd na de maaltijd
De inwoners van Hulst en omgeving namen in het tweede nummer van Het Hulsterblad van 13 mei 1865 voor het eerst kennis van de voorgenomen nationale herdenkings- en feestdag voor de ‘veteranen van 1813-1815’ in Leiden ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van ‘De Slag bij Waterloo’. De krant had de afkondiging van rijkswege zelfs integraal afgedrukt1:
Bovenstaande circulaire was afkomstig van de minister van oorlog Jan Blanken, onder wiens verantwoordelijkheid de organisatie van het feest aan zijn ministerie was opgedragen. Volgens de inhoud waren koning Willem III en de Nederlandse regering de veteranen innig dankbaar voor hun rol in de laatste en beslissende krijgshandelingen tegen Napoleon. Zelfs zozeer, dat zij daarvoor alle nog in leven zijnde oud-strijders op kosten van het rijk – een unicum! – zouden onthalen. Hoe mooi deze officiële erkentelijkheid ook klonk, de werkelijkheid lag wel iets genuanceerder.
Inderdaad waren in 1815 en volgende jaren veel militairen, onder wie ook onderofficieren en soldaten, voor hun dapperheid in de strijd tegen de Fransen gedecoreerd met de Militaire Willemsorde, de destijds nieuw ingestelde hoogste militaire onderscheiding. Maar van een eerbetoon van staatswege aan alle ‘Waterloo’-veteranen, bijvoorbeeld in de vorm van een gedenkpenning, zoals in Engeland in 1816 en 1817, was in Nederland geen sprake2.
(commons.wikimedia.org, public domain; Waterloo medal, 1816 )
Op initiatief van Arthur Wellesley, hertog van Wellington, opperbevelhebber van de gecombineerde Engels-Nederlandse troepenmacht in 1815, kregen alle Waterloo’- veteranen en nabestaanden van gesneuvelde militairen al in 1816 en 1817 een herdenkingsmedaille uitgereikt.
Op de keerzijde staat bovenaan de naam van veldmaarschalk Wellington. Daaronder de op een steen zittende zittende gevleugelde Victoria, symbool van de overwinning met een palm- en olijftak. Onderaan de tekst ‘Waterloo’ en ‘June 18. 1815’, de datum waarop de laatste gecombineerde veldslagen tegen Napoleon plaatsvonden.
Het lint aan het oog was purperrood met een blauwe bies.
Zelfs vijf decennia later in 1865, terwijl de regering voor het gouden jubileum van de Militaire Willemsorde voor alle ‘orderidders’ een feestelijke gedenkdag voorbereidde, leek het eveneens gouden jubileumjaar van de ’Slag bij Waterloo’, voor de oorlogsveteranen van 1813-1815 geruisloos voorbij te gaan.
Maar terwijl de datum al van de viering voor de ‘orderidders’ naderde begon de publieke opinie zich te roeren. In de kranten regende het kritische ingezonden stukken van verontwaardigde Nederlanders, waaronder nogal wat klaagschriften van getergde veteranen. Op veelal emotionele wijze laakten zij het gebrek aan initiatief en de laksheid en onwil van vorst en regering om ook hen een gouden jubileumdag en een ereteken te schenken. In de ambiance van de alsmaar hoger oplopende gemoederen kreeg ook koning Willem III namens de oudgedienden van 1813-1815 een protestbrief voor de vorstelijke kiezen3.
Eindelijk dan kwamen Zijne Majesteit, minister-president Johan Thorbecke en de minister van oorlog Johan Blanken in beweging met het nemen van twee maatregelen.
Over de toekenning van een onderscheiding verscheen op 10 mei 1865 het volgende officiële regeringsbesluit in het Staatsblad:
“Willende aan Neêrlands strijders van 1813-1815 een openlijk bewijs geven van Onze erkentelijkheid voor hetgeen door hen in die gedenkwaardige jaren is verrigt, en verlangende dat dit blijk tevens strekke tot herinnering aan de herstelling en bevestiging van Neêrlands onafhankelijk volksbestaan”.
“Art. 1. Voor hen, die in de jaren 1813-1815 in Nederlandsche dienst aan de altijd gedenkwaardige krijgsverrichtingen ter herstelling en bevestiging van Neêrlands onafhankelijk volksbestaan een werkzaam aandeel hebben gehad, wordt een eereteken ingesteld”.
Om te voorkomen, dat er iemand zou worden overgeslagen of afgewezen, werd uitdrukkelijk gesteld, dat het insigne uitgereikt moest worden aan “alle mannen, zonder onderscheid van rang of positie, die aan de krijgshandelingen van 1813-1815 hadden deelgenomen” 4. Deze nadere bepaling regelde dat alle militairen, die in de periode vanaf de “Slag bij Leipzig” van 16 tot 19 oktober in 1813 tot en met de “Slag bij Waterloo” op 18 juni 1815 voor het ereteken in aanmerking kwamen en niet alleen de veteranen van slechts een van de vier veldslagen, waaruit de “Slag bij Waterloo” in juni 1815 bestond.
En met de uitnodiging aan alle oud-strijders van 1813-1815 voor het vieren van hun gouden jubileum in Leiden, ging ook de tweede wens in vervulling.
Heel wat jaren later zou de communist Frits Kief – overigens in een heel ander verband – verzuchten “in Nederland gebeurt alles vijftig jaar later”. Dit gold zeker voor de vele oud-strijders, die vijftig jaar na dato al overleden waren en voor wie het nationale feest en ereteken in 1865 ‘mosterd na de maaltijd’ was.