9. Tekenen van herinnering

9       Tekenen van herinnering

9.1        Een teken op de borst

Alle nog in leven zijnde ‘oud-strijders 1813-1815’  hadden in het kader van ‘vijftig jaar Waterloo’ recht op het “zilveren herdenkingskruis 1813-1815”. Wie de aanvraag op tijd had ingediend kreeg het onderscheidingsteken uitgereikt op de nationale herdenking te Leiden op dinsdag 27 juni 1865. De later bestelde eretekenen werden aan de betreffende gemeentebesturen opgestuurd en door de burgemeesters aan de veteranen ter hand gesteld. Om ervoor te zorgen, dat alle’ oud-strijders van 1813-1815′ financieel in staat waren hun decoratie aan te vragen bestond er vrijstelling van de kosten van zegel- en registratierechten voor de op te zenden aanvraagformulieren en bewijsstukken. Het merendeel van de aanvragen voor het erekruis kwam voor de nationale herdenkingsdag 27 juni 1865 binnen, maar hield ook daarna nog aan. Het aantal nog in leven zijnde ‘Waterloo-veteranen’ bleek uiteindelijk veel groter te zijn dan de 2105 oud-strijders, die deelnamen aan de nationale feestdag in Leiden. Ten tijde van de publicatie van het herdenkingsboek van Hermanus Hardenberg, later in 1865, was het aantal verzoeken al tot boven de 5000 gestegen1.
De fabricage van het insigne was voor fl. 3,10 per stuk gegund aan juwelier Willem Pauwels & Zn in Den Haag.

(rijksmuseum.nl, object.nr. NG-VG-11-86) voorzijde

Voor de ‘oud-strijders van 1813-1815’ had het aan hen uitgereikte eremetaal natuurlijk een grote emotionele waarde. Dat was maar goed ook, want van zijn fysieke uitstraling moest dit kruisje het niet hebben. Hoewel het geringe formaat van 35 bij 35 mm gebruikelijk was, hield de artistieke kwaliteit niet over. Het kruisje in zijn geheel lijkt niet zuiver gestanst. Daar komt nog bij, dat hier geen sprake is van het bij een kleinere borstdecorratie vereiste verfijnde vakwerk. Mede daardoor komt de brede onregelmatige rand erg grof over. Langs de buitenkant (hier niet zichtbaar) is wel het zilveren waarmerk aangebracht in de vorm van een klein zwaardje, alsmede het meesterteken P.Z. (voor de firma Pauwels & Zn).

Iconografie:
Het draagteken heeft de vorm van een kruis met vijf armen, ieder uitlopend in twee punten. In het midden komen zij samen in een medaillon met op de voorzijde het jaar 1813 en op de keerzijde het jaar 1815. Het lint waaraan de onderscheiding op de linkerborst werd gedragen,  was 27,5 millimeter breed en van gele zijde geweven met aan weerszijden brede witte strepen. Het lint was aan het kruisje bevestigd met een draagoog door een draagring. 

(rijksmuseum.nl, object.nr. NG-VG-11-86) keerzijde

en.numista.com/catalogue/exonumia73776

Op de foto linksboven is de keerzijde met het jaartal 1815 en het gele lint afgebeeld. Ter vergelijking zien we op de beeldbron rechts de delicate kwaliteit van de Engelse zilveren ‘Waterloo-medaille’. Deze waardevolle erepenning werd al in 1816 uitgereikt aan alle militairen, die in het Engelse leger onder Wellington aan de gecombineerde veldslagen van Waterloo hadden deelgenomen.

9.2         Een teken van ondersteuning

Op 9 november 1815, bijna een half jaar na ‘Waterloo’, werd in Nederland een organisatie opgericht om de slachtoffers en nabestaanden van de gevechten tegen Napoleon financieel te ondersteunen2. Dit nog steeds bestaande “Fonds ter Aanmoediging en Ondersteuning van de Gewapende Dienst in Nederland”, kortweg Fonds 1815, hield periodieke collectes om gewonde en verminkte oud-strijders en weduwen en wezen van gesneuvelde militairen financieel te ondersteunen. Om de kasstroom te vermeerderen en te reguleren vroeg en kreeg het ‘Fonds 1815’ in het jaar 1820 van koning Willem I toestemming om jaarlijks landelijke geldinzamelingen te mogen houden met de uitdrukkelijke medewerking van de lokale bestuurders3. Hoewel dit systeem altijd stond of viel met de bereidheid van het volk om re doneren, zorgde de vrij stabiele geldstroom ervoor, dat de uitkeringen van lieverlee opgerekt konden worden.

In 1865 greep ‘Het Fonds’ de 50-jarige herdenking van ‘De Slag bij Waterloo’ aan om d.m.v. een grote landelijke collecte ervoor te zorgen “dat in het fonds als deelgerechtigden worden opgenomen alle Nederlanders, die bij Waterloo gestreden hebben, en van goed zedelijk gedrag doch onvermogend zijn”4 met als extraatje “dat aan de deelgeregtigden van Waterloo eene extra gratificatie worde verleend ter herinnering aan die heugelijke overwinning”.

De opbrengst van de nationale collectie had beter gekund, maar was zelfs genoeg om de ‘oud-strijders van 1813-1815’ een jaarlijkse gratificatie toe te kennen van weliswaar slechts fl. 10,- maar de restrictie van onbemiddeld zijn was vervallen.

9.3          De laatste tekenen

Na het nationale herdenkingsfeest te Leiden keerden Jan Vermeersen, Arie van den Boogaart en Levien van Vooren weer terug in de anonimiteit. Het leven van de minder gegoeden en armen, meestal verstoken van maatschappelijke functies en verenigingsleven werd, op formele persoonsadministratie na zoals burgerlijke stand en rechtspraak nauwelijks gedocumenteerd.

Met betrekking tot het feest te Leiden weten we wel, dat deze drie oud-strijders op de dag van de viering hun zilveren herdenkingskruis niet hebben ontvangen. In het herdenkingsboek Hermanus Hardenberg staan in bijlage C alle namen van de oud-strijders, die het ereteken op 27 juni 1865 kregen uitgereikt en de namen van de drie oost-Zeeuws-Vlaamse veteranen ontbreken in dat overzicht.

Aan Arie van den Bogaard is het zilveren herdenkingskruis op 2 augustus 1865 door de burgemeester van Graauw in aanwezigheid van de gemeenteraad opgespeld 5.

De tekst van het bijbehorende certificaat luidde:
Verklaart [d.i. de minister van oorlog namens de koning] als daartoe bij voormeld besluit gemagtigd is, dat geregtigd is tot het dragen van voorschreven eereteken, hetwelk hem als openlijk blijk zal strekken van ’s Konings erkentelijkheid voor hetgeen door hem in die merkwaardige jaren voor het vaderland is verrigt”6. 

Jan Vermeersen bleef zijn verdere leven, ook na het overlijden van zijn echtgenote Johanna Wittock op 1 juni 1868, in de Kreupelstraat te Hulst wonen. Hij is overleden  in het Liefdehuis in de Potterstraat (A114) op 25 mei 1879 als gevolg van “verval van krachten” efn_note]GAH W99B, Loop der bevolking 1879[/efn_note].

Apolonia Herman, de huisgenote cq huishoudster van Arie van den Boogaard, stierf op 31 december 1869 stierf te Graauw. Kort daarna op 19 april 1870 vertrok Arie  naar zijn geboorteplaats Den Briel, waar hij op 21 maart  1872 stierf.

Levien van Vooren overleed op 90-jarige leeftijd als gepensioneerd veldwachter op 8 maart 1882 in Zuiddorpe. 

Gillis Rottier overleed in Sint Jansteen op 2 februari 1870.

1. Met dank aan het Hulsterblad

  1.       Met dank aan Het Hulsterblad

Peter Verwilghen, geboren te Hulst op 25 september 1816, volgde op jonge leeftijd een typografische opleiding in Dendermonde en Turnhout, waarna hij zich op slechts 19-jarige leeftijd als ‘stadsdrukker’ in zijn geboorteplaats vestigde. Tot aan zijn overlijden op 13 juni 1886 oefende hij zijn beroep als drukker en uitgever onafgebroken in Hulst uit 7. Naast het uitgeven van boeken en ander drukwerk lanceerde Peter Verwilghen op 6 mei 1865 “Het Hulsterblad”, dat onder hem en zijn opvolgers uit de familie tot en met 1927 eenmaal en daarna tot 30 december 1949 tweemaal per week verscheen, uitgezonderd de periode 1938 -1945.

Dit is het logo bovenaan bladzijde 1 van het eerste nummer van Het Hulsterblad van “Zaturdag” 6 mei 1865, ontworpen door Fred Verwilghen, een halfbroer van Peter.
Over de volle breedte is de tekstslinger ‘Het Hulsterblad’ afgedrukt vóór twee liggende hulsttakken. In het midden staat als schildhouder het stadswapen van Hulst, een gekroonde klimmende leeuw met dertien hulstbladeren rondom.
Op iedere editie van de weekkrant stond links bovenaan een volgnummer, te beginnen met nummer 1 op deze eerste uitgave van 6 mei 1865 en doorlopend tot en met nummer 3320 op 25 mei 1928. Hierna werd een nummering per jaargang  ingevoerd. Het logo heeft standgehouden tot en met het nummer van 11 december 1937.

Van bijna alle uitgegeven nummers van Het Hulsterblad is één exemplaar in het Gemeentearchief van Hulst aanwezig, wat voor de lokale en regionale geschiedenis een ongekende schat aan historische feiten heeft ontsloten. In dit verband zouden zonder deze krant de in 1865 nog levende oost Zeeuws-Vlaamse oud-strijders van ‘De Slag bij Waterloo’ vrijwel zeker onbekend zijn gebleven. Voor dit artikel was de timing van de oprichting van de weekkrant perfect. De edities van het tweede nummer (13 mei 1865) tot en met het negende nummer (1 juli 1865) berichtten uitvoerig over het nationale feest voor de veteranen uit de jaren 1813-1815 in Leiden, waaraan drie van de vier oud-strijders uit oost Zeeuws-Vlaanderen deelnamen.

Historische achtergrond

     Historische Achtergrond

Nadat zijn Russische veldtocht in de winter van 1812 was vastgevroren in een door de Russen verlaten ijskoud Moskou besloot Napoleon tot zijn catastrofale terugtocht naar West-Europa. Tijdens de chaotische vlucht decimeerden de ijzige vrieskou en de meedogenloze aanvallen van de befaamde kozakkenruiters zijn eerst zo succesvolle en gevreesde Grande Armée. Het kostte zijn gezamenlijke tegenstanders nog ettelijke veldslagen voordat zij met een gecombineerd geallieerd leger de Franse keizer in de zwaarbevochten “Volkerenslag bij Leipzig” (16 – 19 oktober 1813) de genadeslag gaven. Russische, Pruisische en Engelse legers veroverden daarna, zij het met de nodige moeite, de rest van het zieltogende Franse Rijk. Op 11 april 1814 trad Napoleon als keizer af en werd hij op het eiland Elba, gelegen tussen het Italiaanse vasteland en Corsica, in ballingschap opgeborgen. 

Paul Delaroche (1797-1856),  1845, Museum der Bildenden Kϋnste, Leipzig. 

Op dit schilderij hangt Napoleon op 31 maart 1814 met een heel chagrijnig gezicht onderuit op een zetel in het paleis te Fontainebleau, een van zijn voormalige residenties. Hier had hij zojuist net bericht ontvangen van de inname van Parijs door de geallieerden.Vlak daarna, op 11 april zou hij zijn troonsafstand als Keizer van Frankrijk ondertekenen. Ruim een jaar later, na de nederlaag in “De Slag bij Waterloo”, werd hij nogmaals en nu definitief afgezet. Hij werd nu beter opgeborgen. Zijn nieuwe ballingsoord, het eiland Sint Helena in de Atlantische Oceaan, 2000 km ten westen van Angola, lag heel wat verder weg dan het eiland Elba, tussen Corsica en het Italiaanse vasteland.

In Oostenrijk kwam vanaf 8 september 1814 het “Congres van Wenen” bijeen om Europa staatkundig en politiek helemaal opnieuw in te richten. Na krap een half jaar vergaderen en nog veel meer feesten ontvingen de deelnemende staatslieden in februari 1815 het onthutsende bericht, dat Napoleon uit zijn ballingsoord Elba was ontsnapt en met een alsmaar aangroeiende militaire macht optrok naar Parijs. Het Congres schoot nu in de hoogste versnelling: aan Napoleon werd de oorlog verklaard; Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen, Rusland en het kersverse Verenigd Koninkrijk der Nederlanden brachten een geallieerd leger op de been en het Congres zette meer vaart achter de ‘herinrichting’ van Europa.

Half juni 1815 was Napoleon al tot onder Brussel in de Verenigde Nederlanden opgerukt. Hij probeerde hij een rechtstreekse veldslag van het Franse leger met de gecombineerde strijdmacht van de geallieerden te voorkomen met het doel zijn tegenstanders afzonderlijk op te zoeken en te verslaan. Het eerste treffen had plaats op 16 juni 1815 bij “Quatre-Bras”, een gehuchtje op twintig kilometer ten zuiden van Waterloo, tussen Napoleons leger en een Engels-Nederlands leger onder het opperbevel van Arthur Wellesly, hertog van Wellington. Het Engels-Nederlandse leger won dit gevecht maar nipt. Later op de dag raakten de Franse troepen slaags met de Pruisische troepenmacht van generaal Gebhart von Blϋcher bij Ligny op vijfendertig kilometer van Waterloo. Napoleon joeg Von Blϋcher op de vlucht, achtervolgde hem met succes, maar kon geen definitieve overwinning afdwingen omdat zwaar onweer en langdurige regen op 17 juni de strijd tot laat in de ochtend van de volgende dag onmogelijk maakten.

Op deze zondag 18 juni viel de beslissing in drie veldslagen: op de twee bij elkaar gelegen plateaus van “Mont Saint-Jean” en van “La Belle Alliance”, zo’n 4 kilometer ten zuiden van Waterloo en op de “vlakte van Waver” (Wavre), ca. 20 kilometer ten oosten van Waterloo.
Wat veel later “De Slag bij Waterloo” zou gaan heten waren dus feitelijk vier aparte veldslagen, verspreid over meerdere dagen en niet eens bij Waterloo, maar er resp. 4, 20 en 30 kilometer vandaan. 

Rond negen uur in de avond van 18 juni, bijna tien uur na het begin van de gevechten, ontmoetten de twee zegevierende hoofdrolspelers Wellington en Von Blücher elkaar bij “La Belle Alliance”, een herberg met dezelfde naam als het plateau.

(english-heritage.org.uk)

Sir Thomas Lawrence (1769-1830), Arthur Wellesley, First Duke of Wellington, 1818.

Als veldmaarschalk had hij in “De Slag bij Waterloo” op 18 juni 1815 het opperbevel over de gezamenlijke geallieerde legers tegen Napoleon. Zijn gecombineerd Engels-Nederlands leger van ca. 91.000 man had het de hele dag zwaar te verduren gehad tegen de Fransen.

(gallerix.org)
George Dawe, 1818.

De Pruisische veldmaarschalk Gebhart Leberrecht von Blücher was de dag voor ‘Waterloo’ in een treffen met Napoleons leger op de vlucht gejaagd. Hij wist zijn troepenmacht te hergroeperen en kwam in loop van de middag van 18 juni net op tijd op het strijdperk aan om zijn aandeel in de overwinning te leveren.

De beide heren overwinnaars, Wellington en Von Blücher, konden het niet eens worden over de betiteling, waaronder de zwaarbevochten veldslagen van de afgelopen dagen in de toekomst moesten worden herinnerd. Von Blücher voelde wel iets voor “Die Slacht von La Belle Alliance” (het mooie verbond), de naam van de herberg, waarin Napoleon zijn commandopost had gehad.
Wellington wilde helemaal niets weten van de nadruk op een militaire verbondenheid. Het aandeel van het Engelse leger was z.i. het belangrijkst geweest, omdat zijn soldaten de hele 18e juni gevochten hadden, terwijl de door Napoleon  opgejaagde Von Blücher pas in de loop van de zondag op het strijdtoneel was verschenen. Hij gaf de voorkeur aan “The Battle near Waterloo”, het plaatsje waar zijn tijdelijke hoofdkwartier gevestigd geweest was.
In het verslagen Frankrijk sprak men dan weer van “La Bataille de Mont Saint-Jean”, zodat er nog lange tijd drie verschillende benamingen naast elkaar circuleerden voor de gevechten van 16 tot en met 18 juni 1815.
Uiteindelijk heeft de uitdrukking “De Slag bij Waterloo” het pleit gewonnen. Dat bekte misschien het best!

De uit vier veldslagen bestaande “Slag bij Waterloo” op zondag 18 juni 1815 was  destijds het grootste en bloedigste treffen tussen vijandelijke legers op Nederlands-Belgisch grondgebied8, maakte op tijdgenoten een verpletterende indruk. Hier was immers veeleer sprake geweest van een slachting dan van een slag. Naar verhouding vochten er op de relatief kleine gevechtsterreinen zoveel soldaten zo dicht opeen gepakt, dat er niet geordend gestreden kon worden. Artillerievuur, charges van de ruiterij en het houwen en steken van kluwens van infanterie zorgden voor een ongekend aantal slachtoffers.
Het staken van de strijd in de loop van de avond maakte geenszins een einde aan de chaos. De hele pikdonkere nacht van 18 op 19 juni, waardoor aan het helpen van de gewonden niet te denken viel, beroofden nietsontziende lijkenpikkers zowel de doden als de nog levenden van hun kleding, wapens en andere zaken. Daarna duurde het nog dagen om de gekwetsten te transporteren en de gesneuvelden te bergen.
In de literatuur loopt het aantal slachtoffers nogal uiteen, maar zelfs de meest conservatieve schatting bedraagt zo’n 24.000 doden en 65000 gewonden 9. Na de afschuwelijke ervaring van twee wereldoorlogen en naar de maatstaven van 21e -eeuwse oorlogen lijkt dat misschien niet veel, maar toentertijd gold dat voor het aantal ‘Waterloo’-slachtoffers beslist wel.

(medium.com).
Louis-Jules Dumoulin (1860-1924), detail van de immense (100×12 meter) panoramaschildering in het museum “Domein van de Slag bij Waterloo 1815”.

De “Slag bij Waterloo” in 1815 is een van de belangrijkste historische gebeurtenissen van het moderne Europa. Dit schilderij verbeeldt de onbeschrijflijke wirwar van de dicht opeengedrongen massa vechtenden op een terrein, dat feitelijk te klein was om naar behoren te manoeuvreren. Het wanordelijk op elkaar inhakkende voetvolk, de chargerende ruiterij, alles en iedereen beschoten door de artillerie, het zicht door kruitdampen sterk beperkt, maakte van deze veldslag een ongeziene slachtpartij.

Het aantal gewonden was in ieder geval zo groot, dat zij voor de verzorging en verpleging over heel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden verspreid moest worden, waardoor  de oorlogsgruwelen voor velen zichtbaar waren.  

Geen wonder, dat uit deze nationale emotie een herdenkingscultuur voortkwam, die meer dan een eeuw duurde en pas na 1945 vervangen werd door de herdenking en viering van de Tweede Wereldoorlog op 4 en 5 mei.

2. Mosterd na de maaltijd

2.          Mosterd na de maaltijd

De inwoners van Hulst en omgeving namen in het tweede nummer van Het Hulsterblad van 13 mei 1865 voor het eerst kennis van de voorgenomen nationale herdenkings- en feestdag voor de ‘veteranen van 1813-1815’ in Leiden ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van ‘De Slag bij Waterloo’. De krant had de afkondiging van rijkswege zelfs integraal afgedrukt10:

Bovenstaande circulaire was afkomstig van de minister van oorlog Jan Blanken, onder wiens verantwoordelijkheid de organisatie van het feest aan zijn ministerie was opgedragen. Volgens de inhoud waren koning Willem III en de Nederlandse regering de veteranen innig  dankbaar voor hun rol in de laatste en beslissende krijgshandelingen tegen Napoleon. Zelfs zozeer, dat zij daarvoor alle nog in leven zijnde oud-strijders op kosten van het rijk – een unicum! – zouden onthalen. Hoe mooi deze officiële erkentelijkheid ook klonk, de werkelijkheid lag wel iets genuanceerder.

Inderdaad waren in 1815 en volgende jaren veel militairen, onder wie ook onderofficieren en soldaten, voor hun dapperheid in de strijd tegen de Fransen gedecoreerd met de Militaire Willemsorde, de destijds nieuw ingestelde hoogste militaire onderscheiding. Maar van een eerbetoon van staatswege aan alle ‘Waterloo’-veteranen, bijvoorbeeld in de vorm van een gedenkpenning, zoals in Engeland in 1816 en 1817, was in Nederland geen sprake11.

(commons.wikimedia.org, public domain; Waterloo medal, 1816 )

Op initiatief van Arthur Wellesley, hertog van Wellington, opperbevelhebber van de gecombineerde Engels-Nederlandse troepenmacht in 1815, kregen alle Waterloo’- veteranen en nabestaanden van gesneuvelde militairen al in 1816 en 1817 een herdenkingsmedaille  uitgereikt.
Op de keerzijde staat bovenaan de naam van veldmaarschalk Wellington. Daaronder de op een steen zittende zittende gevleugelde Victoria, symbool van de overwinning met een palm- en olijftak. Onderaan de tekst ‘Waterloo’ en ‘June 18. 1815’, de datum waarop de laatste gecombineerde veldslagen tegen Napoleon plaatsvonden.
Het lint aan het oog was purperrood met een blauwe bies.

Zelfs vijf decennia later in 1865, terwijl de regering voor het gouden jubileum van de Militaire Willemsorde voor alle ‘orderidders’ een feestelijke gedenkdag voorbereidde, leek het eveneens gouden jubileumjaar van de ’Slag bij Waterloo’, voor de oorlogsveteranen van 1813-1815 geruisloos voorbij te gaan.
Maar terwijl de datum al van de viering voor de ‘orderidders’ naderde begon de publieke opinie zich te roeren. In de kranten regende het kritische ingezonden stukken van verontwaardigde Nederlanders, waaronder nogal wat klaagschriften van getergde veteranen. Op veelal emotionele wijze laakten zij het gebrek aan initiatief en de laksheid en onwil van vorst en regering om ook hen een gouden jubileumdag en een ereteken te schenken. In de ambiance van de alsmaar hoger oplopende gemoederen kreeg ook koning Willem III namens de oudgedienden van 1813-1815 een protestbrief voor de vorstelijke kiezen12.
Eindelijk dan kwamen Zijne Majesteit, minister-president Johan Thorbecke en de minister van oorlog Johan Blanken in beweging met het nemen van twee maatregelen.
Over de toekenning van een onderscheiding verscheen op 10 mei 1865 het volgende officiële regeringsbesluit in het Staatsblad:

“Willende aan Neêrlands strijders van 1813-1815 een openlijk bewijs geven van Onze erkentelijkheid voor hetgeen door hen in die gedenkwaardige jaren is verrigt, en verlangende dat dit blijk tevens strekke tot herinnering aan de herstelling en bevestiging van Neêrlands onafhankelijk volksbestaan”.
“Art. 1. Voor hen, die in de jaren 1813-1815 in Nederlandsche dienst aan de altijd gedenkwaardige krijgsverrichtingen ter herstelling en bevestiging van Neêrlands onafhankelijk volksbestaan een werkzaam aandeel hebben gehad, wordt een eereteken ingesteld”.

Om te voorkomen, dat er iemand zou worden overgeslagen of afgewezen, werd uitdrukkelijk gesteld, dat het insigne uitgereikt moest worden aan “alle mannen, zonder onderscheid van rang of positie, die aan de krijgshandelingen van 1813-1815 hadden deelgenomen”  13. Deze nadere bepaling regelde dat alle militairen, die in de periode vanaf de “Slag bij Leipzig” van 16 tot 19 oktober in 1813 tot en met de “Slag bij Waterloo” op 18 juni 1815 voor het ereteken in aanmerking kwamen en niet alleen de veteranen van slechts een van de vier veldslagen, waaruit de “Slag bij Waterloo”  in juni 1815 bestond. 

En met de uitnodiging aan alle oud-strijders van 1813-1815 voor het vieren van hun gouden jubileum in Leiden, ging ook de tweede wens in vervulling.

Heel wat jaren later zou de communist Frits Kief  – overigens in een heel ander verband – verzuchten “in Nederland gebeurt alles vijftig jaar later”. Dit gold zeker voor de vele oud-strijders, die vijftig jaar na dato al overleden waren en voor wie het nationale feest en ereteken in 1865 ‘mosterd na de maaltijd’ was.

3. Een kwartet ‘Waterloo’-veteranen in oost Zeeuws- Vlaanderen

3.      Een kwartet ‘Waterloo’ veteranen in oost-Zeeuws-Vlaanderen

Het te elfder ure genomen besluit om naast en met  het gouden jublieum van de ‘ridders’ van de Militaire Willemsorde, ook dat van de oud-strijders van 1813-1815 te vieren in de vorm van een officiële landelijke herdenkingsdag, betekende een logistieke monsterklus, die in iets meer dan een maand geklaard moest worden. Het “Ministerie van Oorlog”, dat de organisatie van de reünie van de dragers van de Militaire Willemsorde op 25 juni 1865 te Leiden al goeddeels rond had, nam het logische besluit om de herdenkingsdag van de ‘Waterloo-veteranen’ in dit evenement te integreren. Deze beslissing betekende  weleen enorme tijdwinst, maar er was direct een levensgroot probleem. Men had geen idee hoeveel Nederlandse ‘Waterloo-veteranen’ er nog leefden en waar zij woonden. Dit vraagstuk kon relatief snel opgelost worden door het lagere lagere bestuurslagen hiermee op te zadelen. De minister van oorlog, Johan Blanken, droeg de provinciale ‘commissarissen van de koning op om de burgemeesters van de gemeenten in hun provincies aan te schrijven.  Zij zouden de veteranen van 1813-1815 lokaliseren en  uitodigen om aan de manifestatie in Leiden deel te nemen, zij het onder twee voorwaarden. De eerste betrof het bij de overheid onvermijdelijke financiële voorbehoud, dat alleen die oudgedienden welkom waren “voor zoo verre zij in staat zijn de reiskosten te bestrijden”14. Voor de tweede restrictie hief het centrale gezag het bekende vermanende vingertje op “dat op het feest wel geene andere personen kunnen worden toegelaten, dan de zoodanigen, die na het verlaten van de dienst steeds een goed burgerlijk gedrag hebben geleid” 15. In het schrijven van de provincie-commissarissen aan de burgervaders diende ook nog de instructie te worden opgenomen, dat alleen die veteranen mochten worden aangemeld, van wie de zedelijke handel en wandel  nauwkeurig geverifieerd was.

Dankzij het voorbeeldige recherchewerk van de gemeenten kon “Het Hulsterblad” bekend maken, dat er eind mei 1865 in oost-Zeeuws-Vlaanderen nog vier oorlogsveteranen van ‘Waterloo’ in leven waren.
Dankzij deze mededeling zijn zij ook nu nog bekend.

(Loos, 178; litho van P.W. van de Wijer)

Dit is de steendruk in kleur op de boekomslag van het zeer gedetailleerde gedenkboek van de jubileumdag voor de oud-strijders van 1813-1815, geschreven door Hermanus Hardenberg, een van de leden van de feestcommissie. 

Bovenaan de litho is voor een rood geplooid doek met goudgalon, een gedraaide oranje slinger aangebracht. In het midden ervan op een bedje van groen staat een wapenschild met een klimmende Nederlandse leeuw met een guden kroon erboven. Aan de slinger hangt links het zilveren  herdenkingskruis van de veteranen van 1813-1815 en rechts het zilveren kruis van de Militaire Willemsorde. Op het doek staat de titel van het werk “Het nationaal feest te Leiden”. Midden onder is de gelauwerde Nederlandse Maagd gezeten op een vierkant voetstuk met onderaan de naam van de uitgever van het boek. Zij houdt met haar linkerhand een stenen tafel omhoog met de datum van het feest: 27 junij 1865.
Rechtsonder de Nederlandse vlag, een paar speren, een bungelende lauwerkrans aan een ervan en een geweerloop met bajonet. Linksonder twee krijgsbanieren, een sabel en liggende trom. Waar het doek is opgetrokken is er een doorkijkje naar een hoog basement met staande leeuw met zjn rechterpoot op de wereldbol.

Dankzij de uitgave van het gedenkboek van Hardenberg en de verslaglegging van de namen van de oost-Zeeuws-Vlaamse veteranen van 1813-1815 in “Het Hulsterblad” zijn we goed geinformeerd over Het Nationaal Feest te Leiden en de deelname van de oost-Zeeuws-Vllaamse oud-strijders.

Eind mei 1865 bleken er in oost-Zeeuws-Vlaanderen nog vier oorlogsveteranen van ‘Waterloo’ in leven te zijn.

1.
Johannes (Jan) Vermeersen, geboren te Hulst op 31 januari 1795, had in het geallieerde leger tegen Napoleon als 19-jarige vrijwilliger gediend in de 5e compagnie van het 2e bataljon artillerie van linie16. Hij overleefde de slachtpartij en trad na afloop van zijn diensttijd op 10 juni 1822 in Hulst in het huwelijk met Johanna Adriana Wittock. Als dagloner en dagloonster levend van een schamel loon had het echtpaar het nooit breed gehad. Ook in 1865 voorzagen Jan als hovenier en Johanna als werkvrouw nog steeds in hun levensonderhoud. Omdat de staat ten aanzien van de nationale herdenking in 1865 in Leiden alleen het feest zelf bekostigde, was het inkomen van Jan en Johanna niet toereikend om alle reis- en verblijfkosten zelf te betalen.

Doorkijkje anno 1957 uit de Grote Bagijnestraat naar de Kreupelstraat in de richting van de Kleine Bagijnestraat. Het echtpaar Vermeersen-Wittock woonde in dit eenvoudige tot armoedige straatje op nummer C13417
(beeldbank.cultureelerfgoed.nl, doc.nr. 50910; foto: G. Th. Delemarre)

Financieel onvermogen verhinderde in 1865 een niet gering aantal veteranen van 1813-1815 om naar Leiden af te reizen, ware het niet dat in een aantal gevallen gemeentebesturen en particulieren een helpende hand boden.  Ook Jan Vermeersen behoorde tot de gelukkigen dankzij een oproep van de redactie van “Het Hulsterblad” :

(Het Hulsterblad 20-05-1865 , 2)

De opbrengst van de inzameling onder de Hulsterse gegoede burgerij bleek gelukkig voldoende om de “wakkeren verdediger des Vaderlands” naar Leiden te laten afreizen.

2.
Arie van den Bogaart uit Graauw was onder de Franse overheersing als “conscrit” (dienstplichtig soldaat) in Franse dienst onder Napoleon ingeloot, ingedeeld bij het 17e Regiment Infanterie van Linie in Duitsland en op 10 oktober 1813 afgezwaaid. Op 8 mei 1814 meldde hij zich als vrijwilliger aan bij het Nederlandse leger, waarin hij als korporaal op 17 en 18 juni 1815 deelnam aan de strijd bij Waterloo “om de kluister van den Corsikaanschen dwingeland (= Napoleon), waaraan geheel Europa geboeid lag, te verbreken en Neerlands onafhankelijkheid tot stand te brengen”18.
Arie werd op 18 september 1792 in Brielle (nu Den Briel) in het gewest Holland geboren, maar vertrok na zijn militaire diensttijd naar Graauw, waar hij op 14 oktober 1832 trouwde met Maria Anna Leenknegt. Na het overlijden van zijn echtgenote op 22 september 1852 verliet hij Graauw, doch keerde er tien jaar later weer terug. In het bevolkingsregister werd hij op 5 januari 1862 als hoofdbewoner ingeschreven op wijknummer B120 in de dorpskern van Graauw. Op dit adres stond ook ingeboekt Apolonia Herman, weduwe van Jacobus Heijens. Ten tijde van het feest in Leiden verdiende Arie van den Boogaart de kost als “bode” (hier in de betekenis van vrachtrijder)19. Evenals Jan Vermeersen was Arie van den Bogaert van de partij op het nationale feest in Leiden.

3.
De in Sint Jansteen op 1 februari 1800 geboren oud-strijder Egidius (Gillis) Baptist Rottier was nog maar 15 jaar toen hij deelnam aan de gevechten bij Waterloo. Er is geen bron aangetroffen, die bevestigt, dat Gillis naar de festiviteiten in Leiden gegaan is. Dankzij  enige ophef over een vermeende ondermijning van de bevoegdheid van de Steense burgemeester Norbert IJsebaert, weten we wel dat hij in mei 1865 via de gemeente het Waterloo-ereteken had aangevraagd. Omdat de toezending van het eremetaal maar uitbleef, vroeg “den grijzen krijgsman” aan de gemeente Sint Jansteen om bij het verantwoordelijke Ministerie van Oorlog navraag te doen. Op 1 september 1865, ruim twee maanden na de festiviteiten te Leiden, werd de felbegeerde medaille alsnog bezorgd. De onderscheiding werd Rottier thuis opgespeld door een nog steeds gepikeerde burgemeester, die zich beklaagde, omdat hij in deze kwestie door de veldwachter onkundig was gehouden en dus bij de aanvraag was gepasseerd.
Gillis was rond 1828 getrouwd met de Belgische Angelina Dom (* 18-01-1797 te Schriek in België) en na haar overlijden op 7 juni 1839 in Sint Jansteen in het huwelijk getreden met Johanna Petronella Herreweg (12 september 1840).
In 1865 woonden zij in de Magdalenastraat op wijknummer B21 te Sint Jansteen, waar Gillis toen nog timmerman en Joanna huishoudster en arbeidster was20.  

4.
Evenals als Gillis Rottier uit Sint Jansteen was de in 1792 te Ertvelde in België geboren Levinus van Vooren als dienstplichtige in de strijdkrachten van Napoleon ingelijfd en had de veldtochten naar Spanje en Rusland meegemaakt. In de ‘Slag bij Waterloo’ vocht hij in het Engels-Nederlandse leger tegen de Fransen.Tweemaal weduwnaar geworden woonde hij in 1865 als gepensioneerd veldwachter in Zuiddorpe. Ook Levien van Vooren nam als oud-strijder deel aan de festiviteiten te Leiden.

Van de naar schatting in Nederland in 1865 nog in leven zijnde 2800 Waterloo- veteranen heeft ongeveer een kwart van hen het herdenkingsfeest in Leiden niet bijgewoond. De meest voorkomende reden was financiële onmacht. Veel oud-strijders behoorden tot de lagere sociale klassen en hun inkomen was, zelfs als ze in 1865 nog werkten, te laag om de reis- en verblijfkosten te kunnen betalen. Destijds was iedereen, die niet of niet genoeg kon werken en ondersteuning van familie ontbeerde, financieel afhankelijk van de veelal uiterst karige armenzorg van de kerk. Bijgevolg leefden alleenstaande moeders, werklozen, invaliden, zieken en ouden van dagen in een bepaalde graad van armoede. Lang niet alle behoeftige oud-strijders van 1813-1815 konden zoals Jan Vermeersen dankzij spontane collectes de nationale feestdag in Leiden bijwonen. Voor Pieter Johannes Martijn uit het west-Zeeuws-Vlaamse Eede21bleef een opwelling van naastenliefde uit en kon hij dus thuis blijven.
Ronduit ergerlijk was de onverschillige houding van meerdere burgemeesters, die veteranen zonder een officiële aanmelding naar Leiden lieten afreizen. Eenmaal aangekomen bleek, dat inschrijving wel degelijk verplicht was en de nietsvermoedende oud-strijders werden zonder pardon weggestuurd. Geld voor de terugreis was er lang niet altijd.

5. Op naar Leiden

5.       Op naar Leiden

Koning Willem I had op 8 juni 1816 bepaald, dat 18 juni, de dag van de laatste slag bij Waterloo, voortaan een nationale gedenkdag zou zijn met om 12.00 uur een dienst van een uur in alle kerken. Deze nationale dank- en bededag kreeg een permanent karakter onder de naam ‘Waterloodag’ en werd hoe langer hoe meer een echt feestgebeuren, waarvan de invulling per plaats sterk verschilde. Op de ‘Waterloodag’ van 18 juni 1865 werden als opmaat naar het komende feest in Leiden in een aantal steden  de oud-strijders alvast in het zonnetje gezet. In Hulst wapperde op 18 juni 1865 weliswaar de nationale vlag van de openbare gebouwen en vonden de voorgeschreven kerkdiensten plaats, maar van enige openbare festiviteit was geen sprake. Oud-strijder Jan Vermeersen kreeg op 19 juni door het plaatselijke Muziekgezelschap Harmonie tijdens een muzikale rondwandeling door de stad een serenade aan zijn huis in de Kreupelstraat aangeboden22.

(rijksmuseum.nl objectnr. RP-P-1909-1591)
Carel Christiaan Antony Last, afdruk op papier naar een tekening van David van der Kellen (1804-1879), 1865.

De door koning Willem I op 8 juni 1816 ingestelde ‘Waterloodag’ op 18 juni bleef tot in de jaren ’20-’30 van de twintigste eeuw een belangrijke nationale dank- en bededag in de Nederlandse herdenkingscultuur. Van lieverlee evolueerde deze van een dag vol bezinning tot een waar volksfeest, waarvan de invulling per stad en dorp flink uiteenliep23. Zo gebeurde er in het jaar van de nationale herdenking van Waterloo te Leiden in 1865 in Hulst helemaal niets, terwijl in Amsterdam de typografische vereniging ‘De Nederlandsche Drukpers’ met een luisterrijke optocht uitpakte.  David van der Kellen (1804-1879) tekende een impressie van deze “Triomftogt gehouden binnen Amsterdam op 19 Junij 1865 ter Gelegenheid der viering van den vijftigsten Gedenkdag der Overwinning bij Waterloo”. We zien het moment dat de stoet met praalwagens over de Dam meandert.

Na de ‘Waterloodag’ konden Jan Vermeersen, Arie van den Boogaart en Levien van Vooren zich opmaken voor de reis naar Leiden. Alle drie voldeden zij aan de voorwaarden van de kwalificatieprocedure, zij het dat Van den Boogaart hierbij goed wegkwam. Nog in april 1865 was hij één etmaal in het huis van bewaring te Hulst achter de tralies gezet vanwege ‘het in de gemeente Graauw op de openbare straten voorzien aan zijne natuurlijke behoeften”24. Deze incidentele wildplasserij werd hem voor het bijwonen van de festiviteiten te Leiden gelukkig niet aangerekend.
In een aantal gemeenten werden oud-strijders op de dag van hun vertrek naar Leiden feestelijk uitgeleide gedaan in een vrolijke optocht met plaatselijke autoriteiten en burgerij, veelal opgeluisterd door ‘het muziek’. In Hulst niets van dit alles. Jan Vermeersen was al afgereisd toen de redactie van Het Hulsterblad hem in de editie van zaterdag 24 juni 1865 de beste wensen meegaf in een voor die tijd kenmerkende gezwollen taal:

“Moge hij, die mede een steen aanbragt aan het gebouw onzer vrijheid en onafhankelijkheid daar al het genoegen smaken, dat hij zich van de bijeenkomst voorstelt, en, versierd met het koninklijk eermetaal, onlangs door Z.M. voor deze gelegenheid ingesteld, in ons midden wederkeren, waar hem een feestelijke ontvangst bereid wordt 25Het Hulsterblad 24-06-1865, 1[/efn_note.]

Hetzelfde nummer luidde ook Arie van den Bogaart met ronkend taalgebruik uit:

“Met innige voldoening ziet men hem en andere strijders optrekken, om de eer en de vreugde te genieten, die Nêerland hun op geen duizendste gedeelte der verdiensten kan aandoen; en met groot verlangen wacht men dien oud-soldaat wiens borst zal prijken met het eeremetaal, bij besluit van Zijne Majesteit onzen geëerbiedigden Koning aan die krijgsmannen toegekend, in ons midden terug”.

In 1865 maakten natuurlijke hindernissen en met name de grote rivieren in combinatie met het beperkte aantal spoorlijnen het reizen over grotere afstand in Nederland tot een tijdrovende onderneming. De organisatie van de feestdag op 27 juni in Leiden had daarom besloten, dat alle oud-strijders en dragers van de militaire Willemsorde buiten de provincie Zuid-Holland en de steden Amsterdam, Haarlem en Utrecht op 26 juni in Leiden mochten aankomen en op 28 juni uit Leiden vertrekken. Daartoe waren voor hen twee gereserveerde gratis extra treinen vanaf Rotterdam of Amsterdam aangewezen. De feestgangers moesten vooral hun heenreis goed afstemmen op het tijdstip van het vertrek van deze extra treinen uit Amsterdam en Rotterdam op 26 juni. Zij reden op die dag slechts één keer en de officiële ontvangst in Leiden was aan de aankomsttijd gekoppeld.

(Van der Meer, 50)
Spoorwegkaart Nederland naar de toestand van juli 1864.

Vergeleken met de andere landen van west- en midden-Europa was het spoorwegnet in Nederland rond 1865 (de dikkere zwarte lijnen op de kaart) amper van de grond gekomen. Enkele korte trajecten, zoals in Noord-Brabant, lagen nog geïsoleerd. De weinige lijnen werden destijds door verschillende binnen- én buitenlandse particuliere maatschappijen geëxploiteerd. De belangrijkste onder henwas de “Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij”, die onder meer de spoorverbinding van Amsterdam en Rotterdam naar Leiden uitbaatte. Vanuit de uithoeken van het land, zoals voor de drie oud-strijders van 1813-1815 in Zeeuws-Vlaanderen, waren er geen directe aansluitingen naar het beperkte railnet. Het uitzetten van een reis uit oost-Zeeuws-Vlaanderen naar Leiden vergde het nodige puzzelwerk tussen verschillende soorten vervoer en trajecten.

Er moest in ieder geval bijtijds vertrokken worden. In dit verband betekent de mededeling in Het Hulsterblad van 24 juni 1865 “dat Vermeersen naar Leyden is afgereisd”, dat hij twee en misschien zelfs drie dagen uittrok voor de afstand van ca. 175 km tussen Hulst en Leiden. Over de gevolgde route van Jan Vermeersen, Arie van den Boogaart en Levien van Vooren uit oost Zeeuws-Vlaanderen naar Rotterdam zijn geen concrete gegevens voorhanden. De twee relatief snelste, minst ingewikkelde en dus meest voor de hand liggende routes liepen beide over Sint-Nicolaas26 en Antwerpen naar het noorden.
De overtocht over de Schelde met het veer Walsoorden-Hansweert was ook mogelijk, maar aan de overkant lag nog geen aansluitend spoor27. De enige mogelijkheden ‘aan de overkant’ waren een lange rit met paard en wagen oostwaarts naar het station  Roosendaal of – nog tijdrovender – naar het noorden via de Zeeuwse eilanden, doorsneden door meerdere brede waterlopen. Bovendien zou de opeenstapeling van steeds wisselende  vervoermiddelen de reis duurder maken dan het alternatief via Sint Nicolaas.
Voor de drie veteranen begon de reis vanaf hun woonplaats in ieder geval hetzij te voet, of met paard en wagen of koets van een particulier of een geregelde postwagendienst, zoals die tussen Hulst en Sint Nicolaas28.

(garesbelges.be/sint_niklaas)

Het voormalige stationsgebouw van Sint-Nicolaas-Waes was een halte op het enkelsporige smalspoortraject in de verbinding tussen Gent en Antwerpen. Dit station lag links van het huidige station aan de noordkant van het stationsplein in Sint Niklaas. Voor de drie veteranen van 1813-1815 was deze stopplaats de dichtstbijzijnde op hun treinreis van oost Zeeuws-Vlaanderen naar Leiden.

(garesbelges.be/antwerpen_linkeroever)  Emplacement en stationsgebouw, Statie Vlaams Hoofd.

Voor het spoor was de Schelde bij Antwerpen destijds nog een niet te nemen hindernis. De lijn Gent-Antwerpen eindigde daarom met een kopstation op de linkeroever naast het dorpje Sint-Anna. Het station was bekend onder de namen ‘Linkeroever, ‘Sint-Anneke’ en ‘Vlaams Hoofd’29. Aangekomen op het emplacement moesten de treinreizigers met een veerpont worden overgezet  naar de tegenoverliggende “statie” op de rechter Scheldeoever. 

(garesbelges.be/antwerpen_linkeroever)

Op deze luchtfoto ligt links midden het voormalige dorpje St. Anna op de linkeroever van de Schelde. Rechts onder staan twee personentreinen op het open perron van het kopstation Antwerpen – Vlaams Hoofd. Links hiervan buigen een paar goederensporen af in de richting van het dorp. Het lange pand met de witte muren links van de personentreinen is het stationsgebouw. Rechts in het verlengde van de treinstellen ligt de steigerbrug met de aanlegplaats van de veerpont voor (trein)reizigers naar de rechteroever.

Als de drie veteranen uit oost-Zeeuws-Vlaanderen deze – want de snelste – route hebben genomen, zijn zij met het veer overgezet naar het stationsgebouw Antwerpen-Waas op de rechter Scheldeoever. Dit was wel het merkwaardigste station van België, want er lagen geen rails voor personenvervoer. Voor het vervolgtraject naar Rotterdam moest er eerst een stuk gelopen worden of een wagendienst genomen naar het vervolgvervoer: trein of schip.
De Scheldestad beschikte over een directe stoomvaartverbinding naar de Maasstad met één afvaart per dag in de zomer. Voor een goede planning leek deze keuze minder aantrekkelijk, omdat de van het getij afhankelijke vertrektijden varieerden van ’s middags tot middernacht en daarom maar kort voor het vertrek bekend werden gemaakt30. De vaartijd bedroeg ongeveer tien uur en het tarief was vergelijkbaar met het alternatief per spoor31.

(garesbelges.be/antwerpen_waas)

Het stationsgebouw op de rechter Scheldeoever in Antwerpen met opschrift “Railway Anvers-Gand par St. Nicolaas . Ondanks het veelbelovende opschrift konden reizigers hier nie op de trein stappen, maar alleen kaartjes kopen voor het traject Antwerpen-Gent, dat aan de overkant van de Schelde begon. De rails op de voorgrond waren alleen bestemd voor goederenvervoer van en naar de loodsen op de ‘kaaien’.

Het meer voor de hand liggende alternatief was de enige spoorlijn door Antwerpen, komend uit de richting van Mechelen in het zuiden en lopend naar het noorden in de richting van Roosendaal én Rotterdam32. Voor treinreizen naar Nederland bestond er een apart station, dat via lijn 12 een rechtstreekse verbinding had met het Nederlandse station Moerdijk-Haven. De reistijd voor het baanvak van 73 km tussen Antwerpen en Moerdijk/haven bedroeg met de snelheid van toen en de nodige tussenstations zo’n drie-en-een-half uur. Desondanks was het voor die tijd ongelooflijk hoge gemiddelde van 33 km per uur veel meer dan de 8 à 9 km/u van de diligence, destijds het snelste vervoermiddel over land 

(nl.pinterest.com, pin 531213718560811083)

Reizigers van en naar Nederland, in het bijzonder in de richting van Rotterdam, namen de trein in de in 1854-1855 gebouwde Middenstatie (soms ook Oost-Statie genoemd). Dit station lag aan de noordkant van het huidige Koningin Astridplein. In 1873 werd de doorgaande railverbinding door de stad vervangen door een ringspoorweg, zodat de Midden-Statie een kopstation werd. Het gebouw zou dienst doen tot 1905 toen direct ten oosten ervan het huidige monumentale Antwerpse station (de “spoorwegkathedraal”) werd geopend.

Van meet af was het traject van lijn 12 bedoeld als verbinding tussen Antwerpen en Rotterdam, maar het traject kwam in 1865 nog niet verder dan Moerdijk-Haven, omdat een spoorverbinding over het Hollands Diep technisch nog een brug te ver was. Niettemin bleef reizen via dit traject voor Jan Vermeersen, Arie van den Bogaart en Levien van Vooren toch relatief het snelst. Voor doorgaande reizigers naar Rotterdam was namelijk de in het tarief inbegrepen “spoorwegboot”33naar Rotterdam in ongeveer vier uur het snelste en meest comfortabele vervolg. Vergeleken met de tien uur durende stoomvaartdienst Antwerpen-Rotterdam was de gecombineerde trein- en bootreis via Roosendaal-Moerdijk zo’n tweeëneenhalf uur korter en vanuit Antwerpen gingen er dagelijks meerdere treinen naar Moerdijk-Haven met de aansluitende ‘raderspoorboot’.
Voor de oud-strijders van 1813-1815 waren de reis- en verblijfskosten voor zowel de heen- als terugreis tot aan Rotterdam en Amsterdam voor eigen rekening. Het laatste stuk naar Leiden was gratis, dankzij het aanbod van de directie van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij om “de oude krijgslieden van 1813-1815, vanwege Z.M. den koning uitgenoodigd tot bijwoning der feestelijke vereeniging te Leyden (…) bij die gelegenheid kosteloos te vervoeren naar en van Leyden”.

(stationsweb.nl)
Het tweede stationsgebouw van Moerdijk-Haven, foto uit 1910.

Het nu niet meer bestaande station Moerdijk-Haven was van 1855 tot 1873 het eindpunt van de door de Belgische “Société Anonyme des chemins de fer d’Anvers à Rotterdam”34 aangelegde en geëxploiteerde spoorlijn. De maatschappij wilde een snelle verbinding tussen de havensteden Antwerpen en Rotterdam realiseren, maar stuitte op het brede getijdewater van het Hollands Diep. Door het inzetten van een “raderstoomboot” , een door schoepenraderen voortbewogen scheepstype, voor treinreizigers naar Rotterdam was het hele traject Antwerpen-Rotterdam destijds de snelste verbinding tussen de twee havensteden.

Dankzij het bericht in het Hulsterblad van zaterdag 24 juni 1865 lazen we al, dat Jan Vermeersen op dat tijdstip reeds naar Leiden vertrokken was. Uit dit gegeven is af te leiden, dat hij met drie of vier dagen reistijd voldoende speling had om de speciale trein te halen, die in de late namiddag van maandag 26 juni, de dag voorafgaande aan het nationale feest, van Rotterdam naar Leiden zou vertrekken. Van de twee of drie overnachtingen zal de laatste in de Maasstad geweest zijn. In dit verband lijkt het een aardige gedachte, dat Jan gebruik gemaakt heeft van een bijzondere aanbieding, die Het Hulsterblad had overgenomen uit de Rotterdamsche Courant. Anton Dirckx, “Barbier, Haarsnijder en Friseur” aldaar,  had als reclamestunt bedacht om
“die oude dapperen kosteloos te Scheren, en voor zoo verre zij nog Haar hebben netjes te Friseren en te Pomaderen. Dit geldt niet alleen hen die te Rotterdam woonachtig zijn, maar ook degenen die bij bedoelde gelegenheid deze stad moeten passeren. Bij het verlaten van zijnen alom bekenden en netjes ingerigten Scheerwinkel, zal aan elk dier braven eene Manilla of eene Havannah Sigaar worden aangeboden. Zegt het voort”.35.

(Stadsarchief Rotterdam, vroege foto’s nr. 4187).

Zicht op een stukje binnenstad van Rotterdam, dat door het bombardement van 14 mei 1940 volledig is weggevaagd. De foto is gemaakt vanaf de Kleine Draaibrug tussen het water van de Oude Haven rechts en de Kolk links. We kijken recht op het rijtje met zeven woon-en winkelpanden aan de Oude Havenkade, tussen de Hoofdsteeg (links) en de Mosseltrap (rechts). In het derde pand vanaf rechts was de kapperszaak van A.B. Dirckx gevestigd. De foto dateert van veel later dan 1865, maar op de voorgevel staat van boven naar beneden nog steeds  “A.B. Dirckx, barbier, coiffeur”.

Voor zijn marketingstunt pakte Anton Bernard Dirckx flink uit met een grote advertentie in de Rotterdamsche Courant, inclusief een inkijkje in het interieur. De pentekening toont een chique salon met de modernste snufjes. Aan de zijwanden grote spiegels en vitrines, gescheiden door bolvormige verlichtingsarmaturen; hieronder kaptafels met ingebouwde wasbekkens en kranen; links aan het plafond een horizontale roterende stang met drie vliegwielen36. De om de as draaiende vliegwielen brengen door middel van verticale drijfriemen een apparaat in beweging. De kapper linksonder maakt bij een klant gebruik van dit hulpmiddel, waarschijnlijk een draaiende borstel om het haar te krullen (friseren). In het midden van het vertrek klatert een modieus fonteintje.
In deze luxe ambiance mochten de veteranen van Waterloo zich voor één keer graris laten “adoniseren” (opdoffen).

De kans, dat Jan Vermeersen uit Hulst, Arie van den Bogaart uit Graauw en Levien van Vooren uit Zuiddorpe behoorden tot de uiteindelijk 193 liefhebbers, die met een glad geschoren gelaat en een gepommadeerd en gefriseerd kapsel en een kostelijk rokertje in de hand de kapperszaak van Dirckx verlieten is natuurlijk erg klein, maar het idee alleen al is kostelijk. 

Op maandag 26 juni 1865 moesten de oud-strijders, die via Rotterdam naar Leiden reisden eind van de middag klaarstaan op het perron van het  Rotterdamse kopstation “Delftsche Poort” van de “Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij” (HIJSM). Met de voor hen gereserveerde trein van 16.30 uur ging het voor het laatste traject op naar Leiden.  

(Stadsarchief Rotterdam)

Zicht op de kopse kant van het eerste station (1848- 1877) “Delftsche Poort” van de ‘oude lijn’ Amsterdam Rotterdam van de HIJSM met een doorkijkje door de drie bogen naar het perrongedeelte. Van de aankomende treinen konden de locomotieven onder ieder van de drie bogen doorrijden om op een van de drie draaischijven gekeerd te worden voor de terugreis. Hoewel het gebouw geen imposante afmetingen had, kwam het toch heel monumentaal over door gebruikmaking van bouwelementen in de zgn. “Neotudor” stijl, zoals de zeer hoge “Tudorbogen”, als onderdoorgang voor de locomotieven en in de vorm van de ramen, torens en torenvormige ornamenten.

Rond 18.00 stoomden de treinen uit Rotterdam en Amsterdam het perron van Leiden binnen met uit alle coupéramen wuivende veteranen. Onder het uitrijden en uitstappen weerklonk ter verwelkoming een oorverdovend kanongebulder van 21 minuutschoten, afgevuurd op het nabijgelegen Schuttersveld.
De kanonnade betekende  tevens de opening van de prelude op het nationale vijftigjarig jubileumfeest van de ‘Slag bij Waterloo’. Vanaf dit moment zouden de oud-strijders en de dragers van de Militaire Willemsorde ondergedompeld worden in een bruisende aaneenschakeling van plechtstatige ontvangsten, festiviteiten en inwendige verwennerij. Een ‘once in a lifetime’ evenement met hen in het middelpunt37.

6. De prelude op maandag 26 juni 1865

6.        De prelude op maandag 26 juni

Maandag 26 juni 1865 stoomden de ‘expess-treinen’ uit Amsterdam en Rotterdam rond 18.00 uur vrijwel gelijktijdig het Leidse stationsemplacement binnen. Onder oorverdovend kanongebulder vanaf het nabijgelegen Schuttersveld ontdeden de rijtuigen zich in een mum van tijd van honderden oud-strijders. Onder leiding van “commissarissen van orde” en hun assistenten werden de feestelingen opgevangen en van de chaos van de overvolle perrons weggeleid. Op het stationsplein wachtte hen als welkom een schare Leidse notabelen onder leiding van burgemeester Daniël Tieboel Siegenbeek, stond te hunner ere een erewacht van infanterie en artillerie aangetreden en gaf het “muzijkkorps der Leidsche schutterij”38een muzikaal tintje aan de aankomst van de helden van weleer.

(Montagne, 1859; Van der Meer, 64) Illustratie  Gerard Bos. 

Jan Vermeersen, Arie van den Boogaart en Levien van Vooren werden door het feestcomité opgevangen in het eerste stationsgebouw van Leiden (1843-1879). Het lag in 1865 volkomen landelijk ten westen van de stad, die toen nog geheel omsloten werd door de omwalling.

Tegenover het station was aan de Straatweg naar Haarlem (de huidige Stationsweg) het stations-koffiehuis ‘Zomerzorg’ van banketbakker Jacob Couvée gelegen. In de verschillende grote vertrekken en ruime tuin van deze horecagelegenheid konden de gasten uitrusten en onder het genot van een drankje een praatje maken met hun wapenbroeders uit de trein en uit Leiden en omgeving, die voor deze gelegenheid waren uitgenodigd. Onderwijl zorgden functionarissen van de organisatie voor de registratie. Iedereen ontving een persoonlijke toegangskaart, die bij ieder onderdeel van het veteranenfeest en bij het toegewezen nachtverblijf getoond moest worden. De oud-strijders werd op het hart gedrukt hun ticket niet te verliezen, want wie de kaart verloor kwam nergens meer binnen39!

(erfgoedleiden.nl., objectnr. PV_GN006125, rechtenvrij)

Pal tegenover het station in Leiden was het “Stationskoffyhuis Zomerzorg” gevestigd, ideaal voor het onthaal van de grote groep ‘oud-strijders van 1813-1815’, die op 26 juni rond 18.00 uur per trein waren aangekomen. De tramrails op de voorgrond en de plaquette links naast de deur (met opschrift ‘wachtkamer en plaatsbiljetten voor de tram’) wijzen erop, dat niet alleen treinreizigers zich hier konden verpozen. Dit aangename uitblazen rond het stationsplein vond toen  plaats in een vrijwel volkomen rustieke omgeving. Op onderstaande lithografie, een reclameplaat uit 1850 van het ‘Stations koffyhuis’, zijn rechts de aaneengesloten gebouwen van de horecagelegenheid geheel vrijstaand gelegen. Achteraan komt  een locomotiefje naar links aanstomen in de richting van het station in een volledig open gebied. Links achter het brugje is een deel van een stationsloods zichtbaar. Het niet op de prent afgebeelde station lag links achter de loods. In deze idyllische ambiance kwamen de drie veteranen uit oost-Zeeuws-Vlaanderen op 26 juni 1865 aan.

(erfgoedleiden.nl, objectnr. PV_PV7036.3 ,public domain)

Nadat allen waren gelaafd en verkwikt formeerde de organisatie de ca. 600 oud-gedienden van 1813-1815 en de ca. 300 genodigde wapenbroeders uit de omgeving op de ‘Straatweg naar Haarlem’ voor het eerste officiële onderdeel. Ofschoon de eigenlijke feestdag  pas de volgende dag, 27 juni, zou plaatshebben, had het draaiboek ook voorzien in een programma voor de ‘prelude’. Allen werden opgesteld voor een feestelijke optocht van ongeveer anderhalve kilometer door de stad naar het verzamelpunt, het Militaire Invalidenhuis op de hoek van de Koppenhinksteeg en de Middelweg.
Begunstigd door werkelijk prachtig zomerweer zette de feeststoet zich in beweging in de richting van de stad met aan het hoofd een detachement der artillerie te paard, gevolgd door “de muzijk der schutterij”, een escorte van de erewacht en een deputatie van de feestcommissie. De Zeeuws-Vlaamse Jan, Arie en Levien waren voor hun hoge leeftijd nog kwiek genoeg om mee te marcheren. Voor de “oud-strijders, wier ligchaamsgebreken niet toelieten den trein te voet te volgen40, had de organisatie rijtuigen geregeld.

(erfgoedleiden.nl, objectnr. PV_GN003046, rechtenvrij; foto, eind 19e eeuw)

Precies op deze plek in de ‘Straatweg naar Haarlem’ werd  in de vroege avond van 26 juni 1865 de stoet van de met de trein aangekomen oud-gedienden van ‘Waterloo’ geformeerd in de richting van de stad Leiden. Links de voorgevel van het verzamelpunt van die middag, koffiehuis ‘Zomerzorg’, rechts het hek ter afscheiding van het Stationsplein. In het cortège stadinwaarts liepen de drie Zeeuws-Vlaamse veteranen mee. De  Straatweg naar Haarlem kwam uit op de Rijnsburgse Poort, een van de toegangen in de door vestingwallen en -grachten omgeven stad. anders dan op deze foto rond 1900  was de bebouwing in deze straat in 1865 nog beperkt tot het station, koffiehuis Zomerzorg en een paar loodsen.

Vanaf het vertrek aan ‘Zomerzorg’ was het hooguit driehonderd meter naar de Rijnsburger brug over de Rijnsburgersingel, een deel van de vestinggracht. Direct hierachter lag de Rijnsburger Poort41, een van de doorgangen door het wallichaam. Polders, tuinderijen, een paar lusthoven en meerdere textiel- en garenblekerijen kwamen toen nog tot aan de stadssingels, de bebouwde kom begon pas binnen de wallen. De gemeente had aan deze ingang een erepoort laten plaatsen met de tekst “Welkom binnen Leiden”. Terwijl de eregasten hier passeerden bereikte hen vanaf de veranda van de naast de poort gelegen “Buitensocieteit Amicitia”42 koorgezang  van de ‘jongeheren’, voor deze gelegenheid versterkt met een aanzienlijke schare dames. Eenmaal door de stadspoort begon het feestgedruis pas echt. Alle straten langs de route waren opgepropt met toeschouwers en de bewoners van de met vlaggen, slingers en andere versieringen getooide huizen hingen uit de ramen om de helden van weleer te toe te juichen. Heel wat oud-strijders paradeerden trots in hun uniform van weleer, wat het geheel nog kleurrijker maakte. Later zou Jan Vermeersen tijdens de feestavond ter ere van zijn terugkeer uit Leiden aan zijn gehoor uitgebreid  vertellen van zijn belevenissen. Over de triomfantelijke intocht in de vroege avond van 26 juni verhaalde hij onder meer, dat de inwoners bloemen strooiden op de route onder de uitroep “Kunt ge wel gaan oude mannen? Wordt ge niet moede dierbare verdedigers?

(rijksmuseum.nl, objectnr. RP-F-F01127-CH) Foto: Jan Goedeljee, 1865-1875; Rijnsburger Poort, landzijde.

Zoo ja, zeg het maar, we zullen u dragen”43. Vanaf de Rijnsburger Poort ging de feeststoet door de Steenstraat naar de Beestenmarkt met het aanliggende Galgewater. Hier klonken vanaf de met vlaggetjes getooide bootjes onophoudelijke saluutschoten. In het  aansluitende smalle vaarwater van het Kort Rapenburg brachten leerlingen van kweekschool voor de zeevaart een saluut, stram in de houding staande op hun sloepen44.
De feeststoet eindigde bij het op de hoek van de Middelweg en de Koppenhinksteeg gelegen Invalidenhuis, het verzamelpunt voor de oud-strijders tijdens het herdenkingsfeest. De  veteranen zullen na de lange reis, de ontvangst in Zomerzorg en de optocht door de stad inmiddels flink hongerig zijn geweest. Toch moesten zij ook hier weer een officiële welkomstspeech en het spelen van het volkslied ondergaan. Eindelijk dan konden de oud-strijders zich in de tuin en binnenplaats tegoed doen aan een verlaat broodbuffet. Tijdens de maaltijd werden bier, wijn en sigaren royaal rondgedeeld45

(erfgoedleiden.nl, objectnr. PV_PV3537.11c; foto van Gluckstadt und Munden, primaire vervaardiger; public domain)

Op de bovenste foto een overzicht van de Beestenmarkt met de rekken om het vee vast te zetten met  het Galgewater, op de onderste uit ca. 1895 de reeds lang gedempte gracht Kort Rapenburg. Tijdens het voorbijtrekken van de optocht van de oud-strijders in de avond van 26 juni 1865 werden vanaf bootjes op het Galgewater saluutschoten gelost en brachten kadetten van de zeevaartschool vanaf hun sloepen in het water van Kort Rapenburg een eresaluut.

(erfgoedleiden.nl, objectnr. PV_PBK0548; foto: A.J. Binnendijk Jr; rechtenvrij). 

Wie na afloop van de maaltijd nog niet moe was, kon in de stad genieten van diverse festiviteiten of oude vrienden en kennissen opzoeken. De meerderheid  verlangde na de lange reis, het uitbundige onthaal en met de drukke feestdag van 27 juni voor de boeg naar de nachtrust. Waar de drie oud-strijders uit oost-Zeeuws-Vlaanderen hun nachtverblijf kregen is niet bekend. Slechts een kleine minderheid van 250 personen was ondergebracht in het Invalidenhuis. Alle andere veteranen waren verspreid gehuisvest in verspreid liggende ‘ad-hoc’ slaapgelegenheden46. De organisatie had de tijdelijke nachtverblijven laten inrichten door de Intendance47. Met vloerbedekking, bedden met “zindelijk beddengoed”, lampetkannen, waskommen, spiegels, karaffen, drinkglazen en gas- of andere verlichting sliepen de meeste gasten ongetwijfeld een stuk gerieflijker dan in hun eigen slaapkamer48. Onder begeleiding van ‘commissarissen van orde’ werden de veteranen netjes naar hun accommodaties gebracht. Bij ieder nachtverblijf was voor de zekerheid een kleine militaire wacht gestationeerd. Uit de bij de organisatie binnengekomen rapporten  bleek, dat het rond middernacht in de slaaplokalen al volkomen stil was. 

(linkedIn) tekening van Jabob Timmermans, eind 18e eeuw.

Vanwege de late beslissing om de nationale herdenkingsdag van ‘Waterloo’  voor de oud-strijders van 1813-1815  samen te voegen met de viering van het 50-jarig jubileum van de ‘ridders van de Miltaire Willlemsorde’ moesten er inderhaast nachtverblijven geïmproviseerd worden. De overgrote meerderheid van de veteranen van weleer kon ondergebracht worden in een kazerne, in een voormalig textielfabriekje  en in schoollokalen. Op de bovenstaande tekening een impressie van de “Baaihal’, onderdeel van een textielfabriekje, waar ‘baai’, een grof wollen stof voor o.m. schorten, rokken en onderkleding werd gekleurd.

7. Het nationale herdenkingsfeest op dinsdag 27 juni 1865

7.     Het nationale herdenkingsfeest op dinsdag  27 juni 1865

Op dinsdag 27 juni 1865 om acht uur ’s morgens kondigden 21 minuutschoten vanaf het Schuttersveld, gevolgd door het bespelen van het carillon de officiële opening aan van het nationale herdenkingsfeest ter ere van het 50-jarig bestaan van de Militaire Willemsorde en het gouden jubileum van de ‘Waterloo- oud-strijders’44. Op dat moment zaten Jan Vermeersen uit Hulst, Arie van Boogaart uit Graauw en Levien van Vooren uit Zuiddorpe aan een fatsoenlijk ontbijt, waarbij naast koffie en thee ook bier (!) werd geschonken49. Na het ochtendmaal brachten commissarissen van het feestcomité alle veteranen en orderidders, die in Leiden overnacht hadden, naar het Invalidenhuis, waar het rond 10.00 uur verzamelen geblazen was. Per omgaande vertrok men hiervandaan onder militair ere-escorte en muziek optochtsgewijze naar de “Grote Ruïne”. Voor deze dag was immers een veel grotere ontmoetingsruimte nodig, omdat later in de ochtend ook de veteranen van 1813-1815 en de orderidders uit de directe omgeving per trein of met eigen vervoer zouden aankomen50.

(erfgoedleiden.nl, objectnr.  PV_PV29329W.10b; foto: Jan Goedeljee,ca. 1880; rechtenvrij)

In de late namiddag van 12 januari 1807 ontplofte een in de stadsgracht langs de straat “Het Steenschuur” aangemeerd schip met een lading van ca. 18000 kilo buskruit. De direct ten noorden en ten zuiden van ‘Het Steenschuur’ gelegen woonwijken werden door de explosie compleet weggevaagd. Van herbebouwing of een andere invulling van de open ruimte kwam het maar niet. In 1865 waren de littekens van de ramp nog steeds als open vlakken zichtbaar onder de namen “Kleine Ruïne” en ”Grote Ruïne” (het huidige Van der Werffpark). Op deze foto uit 1880 vindt een geschutexercitie van de artillerie plaats op de “Grote Ruïne” . Naast militaire oefeningen waren de terreinen uitermate geschikt voor grote evenementen met veel deelnemers, zoals op 27 juni 1865.

In Leiden was het vanaf de vroege ochtend een drukte van belang. Zowel door ingezetenen als van stadswege werden huizen en straten (verder) versierd en apparatuur geplaatst voor de avondlijke feestverlichting. Er heerste een gezellig chaotische sfeer door de toestroom van oud-strijders en ridders van de Militaire Willemsorde uit Leiden en omgeving. Veel veteranen zaten in versierde rijtuigen, omringd door een schare dorpsgenoten. Verschillende groepen waren in uniforme kleding gestoken en droegen banieren met zich mee51. Allen togen naar ‘koffiehuis Zomerzorg’ voor inschrijving en samenvoeging met de  veteranen en ridders, die rond 10.15 uur per trein uit Amsterdam, Haarlem, Utrecht en de provincie Zuid-Holland zouden arriveren52. Een flinke vertraging in de aankomst van de extra-treinen zorgde ervoor, dat de feestelingen pas vanaf 11.30 vanaf ‘Zomerzorg’ konden vertrekken, een uur later dan het draaiboek voorschreef. Bij de feestelingen in “De Grote Ruïne” zat de stemming er intussen goed in, temeer omdat rond 11.00 in een met vier paarden bespannen open rijtuig prins Frederik der Nederlanden was aangekomen. Hij was de tweede zoon van koning Willem I en dus de oom van koning Willem III en met afstand de meest geliefde en immens populaire ‘Oranjetelg’ .

(rijksmuseum.nl., objectnr. RP-F-F00677-F;

foto van Prins Willem Frederik Karel (* 28-02-1797 Berlijn – † 08-09-1881 Wassenaar door Maurits Verveer, ca. 1865)

Als tweede zoon van koning Willem I en Wilhelmina van Pruisen kwam prins Frederik niet in aanmerking voor de troonopvolging. Hij doorliep als vorstenzoon de gebruikelijke militaire carrière en ontpopte zich als sociaal weldoener in de armenzorg en diplomatiek verzoener binnen de familie Oranje. Willem III had getuige zijn bijnaam “Koning Gorilla” een veel slechtere reputatie dan zijn oom prins Frederik van Oranje, van wie werd gezegd: “de beste koning, die Nederland nooit gehad heeft”. Het was voor Zijne Majesteit Willem III op deze feestdag beslist heel wrang, dat de volle aandacht voor ‘Oranje’ niet naar hem, maar naar Frederik ging. Ook kon de koning bij lange na niet tippen aan zijn oom Frederik, die ook nog eens oud-strijder van 1813-1815 was53. De prins was de ideale verbindende schakel tussen Oranje en het volk. Zelf had hij er ook duidelijk zin in. De hele dag gaf hij ‘acte de présence’, genoot met volle teugen van de festiviteiten en mengde zich tot diep in de avond tussen de ridders van de Militaire Willemsorde en de oud-strijders van 1813-1815.

Prins Frederik bevestigde zijn gode naam door zich op de “Grote Ruïne” minzaam te onderhouden met de helden van 1813-1815 – hij was er immers zelf een! – en met de ‘ridders’ van de ‘Militaire Willemsorde’, van wie een aantal eveneens ‘Waterloo-veteraan’ was. We kunnen ons goed voorstellen, dat Jan Vermeersen, Arie van den Boogaart, Levien van Vooren zich met alle anderen erg vereerd voelden door de spontane koninklijke aandacht van de prins. Met een vertraging van ongeveer een uur kwam rond 12.00 uur de van ‘Zomerzorg’ vertrokken groep op de “Grote Ruïne” aan. Door het oponthoud was er geen tijd meer om het gezellig samenzijn te continueren, noch voor een korte lunch. Om 13.00 uur zou Zijne Majesteit aankomen aan de Pieterskerk voor de plechtige bijeenkomst en je kon het staatshoofd bezwaarlijk laten wachten. Prins Frederik en de ook aanwezige minister van oorlog Blanken achtten het daarom raadzaam de nu complete groep jubilerende veteranen en ridders te laten afmarcheren. Het enthousiasme van het massaal opgekomen publiek kende geen grenzen op de route van de “Grote Ruïne” naar de Pieterskerk. Hoe geliefd prins Frederik was, bleek toen in de Nieuwsteeg een rij van in het wit geklede meisjes de weg voor hem met bloemen bestrooide54. Aan de met oranje en nationale kleuren versierde hoofdingangingang van de kerk gekomen werden de oudstrijders van 1813-1815 op vertoon van hun entreebewijs binnengelaten.  Voor de ‘ridders’ voldeed hun op de borst gedragen ridderkruis uitstekend als identificatiemiddel. 

(erfgoedleiden.nl, objectnr.  PV_mfo20060023; foto: J. Goedeljee, rechtenvrij; 1865)

Op deze net voor 27 juni 1865 gemaakte foto zien we de interieuropstelling in de Pieterskerk te Leiden vanaf het koor in het oosten naar het westen met achteraan  het orgel. Voor de plechtige bijeenkomst in aanwezigheid van de koning was o.l.v. stadsarchitect J. Schaap het gebouw  ontruimd en opnieuw ingericht door decorateur C. van de Berg. Als in een amfitheater waren banken en stoelen oplopend geplaatst om de ca. 2600 genodigden een zo goed mogelijk uitzicht te geven op de vrijgemaakte ‘ koninklijke’ rechthoek vóór de preekstoel.
In deze ‘vip-lounge’ zouden Zijne Majesteit en de prinsen zetelen op vergulde zetels, omringd door een keur aan hooggeplaatste burgerlijke en militaire functionarissen. Omdat de ceremonie centraal stond was er niet gekozen voor een uitbundige decoratie van het interieur.  Alleen aan de muren van het middenschip vlak boven de pilaren prijkten bundels van licht- en donkerblauw laken en nationale vlaggen.

(erfgoedleiden.nl, objectnr. PV_mfo20060022,foto: J. Goedeljee; , rechtenvrij, 1865)

Op deze detailfoto in de richting van het koor is de rechthoekige ‘koninklijke loge’ duidelijk in beeld gebracht. Van de zes zetels in het midden waren de middelste twee – met sierkussens en voetenbankje – gereserveerd voor koning Willem III en zijn oom prins Frederik. De prinsen Willem en Hendrik zouden naast hen plaats nemen. De stoelen achter en naast de zes fauteuils en de lange met wit doek gedekte banken boden plaats aan de adjudant en de ordonnans van de vorst, de leden van het kapittel (= het bestuur) van de ridders van de Militaire Willemsorde en de leden van de feestcommissie van de nationale herdenking op deze 27e juni. De voor deze gelegenheid  rondom de loge geplaatste kerkbanken waren alleen gereserveerd voor de ridders van de Militaire Ridderorde; de oud-strijders zaten verder weg op de oplopende zitplaatsen. Aan het zilveren ‘ridder’-kruis werd kennelijk meer waarde toegekend dan aan het zilveren ‘kruis 1813-1815’55.

Even voor 13.00 uur bereikte het met vier paarden bespannen open rijtuig van de vorst en zijn zoons kroonprins Willem en prins Hendrik, komend uit de richting Den Haag de stad bij de Witte Poort 56. Vanzelfsprekend reed de koning voor zijn cortège door de stad eerst onder een rijk met vlaggen en wimpels voorziene erepoort door. De stoet, begeleid door een erewacht van leden van het Leidse studentenkorps en een detachement ‘dragonders’ kwam door de geestdrift van de opeengedrongen menigte slechts stapvoets voort.
Aan de ingang van het kerkgebouw weerklonk ter begroeting van het staatshoofd het Wilhelmus, waarna prins Frederik zijn neef de koning en de prinsen vanaf de ingang naar het majesteitelijke pluche leidde.
Een treffend moment deed zich voor toen een in uniform geklede gewezen “marketentster” haar opwachting in de kerk maakte, ondanks de uitsluiting van deelname  aan de officiele onderdelen van de herdenkingsdag. Ze wist zelfs de koning te benaderen en hem een “bloembouquet”57 aan te bieden. Toen de vorstelijke eregasten waren gezeten besteeg predikant Abraham Rutgers van der Loeff, feestredenaar van dienst, de kansel voor de openingsrede. De lengte en het gezwollen taalgebruik van de toespraak deden niet onder voor de preek van de zondagsdienst. Na een breedsprakig overzicht van de wording en status van de ‘Militaire Willemsorde’ werden de ‘orderidders’ en de ‘oud-strijders van 1813-1815’ herhaald bejubeld en met name de ‘Oranjetelgen’ onder hen tot nog verhevener militaire helden gemaakt. Meermalen richtte spreker zich tot koning Willem III persoonlijk, hem dankzeggend voor zijn aanwezigheid op de door hem aangeboden nationale feest- en herdenkingsdag. Toch kon de redenaar ondanks zijn welsprekende vleierij en gezwollen taal niet om de historische werkelijkheid heen. De instelling van de ‘Militaire Willemsorde’ en de krijgsverrichtingen van de ‘orderidders’ en ‘Waterloo-veteranen’  golden wat ‘Oranje’ betreft alleen koning Willem I, koning Willem II en prins Frederik.
Ook de koning refereerde in zijn – overigens erg korte – dankwoord aan “de diensten door de ridders en oud-strijders, de soldaten van de beide eerste Koningen, zijn geëerden grootvader en zijn onvergetelijken vader”. En “Waren Willem I en Willem II” vervolgde hij “persoonlijk bij de feiten der jaren 1813-1815 betrokken, Ik, Uw Koning voel mij gelukkig dit gouden feest te mogen vieren” . Zich ten slotte direct tot de jubilarissen wendend sloot Willem III af met de woorden ” “Ik heb U lief gelijk gij mij lief hebt”58.

(rijksmuseum.nl, objectnr. RP-T-00-3917)

Op dit schilderij van een onbekende meester strekt koning Willem III tijdens de plechtige samenkomst op 27 juni 1865 in de Pieterskerk te Leiden zijn rechterarm uit naar zijn oom prins Frederik, de jongere broer van ’s konings grootvader, Willem I. Als ‘oud-strijder van 1813-1815’ kreeg Frederik van Oranje als eerste van de veteranen het zilveren herdenkingskruis opgespeld. Naast prins Frederik staan de zoons van de koning, kroonprins Willem en prins Hendrik. De  interpretatie van de schilder is overigens een vrij juiste afspiegeling van de ‘zetelverdeling’ naar sociale status. Van de zitplaatsen rondom de roodfluwelen koninklijke zetels was het gedeelte naar het koor toe (hier op de achtergrond) voorbehouden aan de ridders van de Militaire Willemsorde. De zitbanken links en rechts waren gereserveerd voor een keur aan hoogwaardigheidsbekleders uit het hof van de vorst, het stadsbestuur van Leiden, hoge militairen en leden van de organisatie van de nationale herdenkingsdag. De meer naar achter in het middenschip en zijbeuken geplaatste oud-strijders zijn op dit schilderij niet te zien.

De jubilerende veteranen en orderidders barstten na de slotzin van de vorst uit in een oorverdovend gejuich en riepen de koning aan. Willem III wendde zich nu  tot zijn oom Prins Frederik van Oranje. Had de vorst in zijn dankwoord  alleen naar de wapenfeiten van  koning Willem I en II gewezen, nu herinnerde hij het aanwezige publiek aan de “krijgsmansdeugden”59 van prins Frederik van Oranje. Vervolgens hechtte hij het “Zilveren Herdenkingskruis 1813-1815”  op diens borst. De vorst onderhield zich nog eventjes met enige dignitarissen, waarna hij de ceremonie voor gezien hield. Links en rechts nog orderidders en oud-strijders de hand drukkend op weg naar buiten verliet hij het kerkgebouw om naar de residentie terug te keren.

(erfgoed leiden, objectnr. PV_PV22148.1a; rechtenvrij)

Dankzij fotoatelier J. Goedeljee & Zn uit Leiden kijken wij nog mee in het afgeladen interieur van de Pieterskerk in Leiden tijdens de ceremonie in de middag van 27 juni 1865. Achteraan in het koor onder het orgel zitten op twee niveau’s ‘orderidders’. Het aansluitende deel van het middenschip was eveneens voorbehouden aan ‘orderidders’, alsmede aan  hoogwaardigheidsbekleders van diverse pluimage. Er is gekiekt tijdens de rede van dominee Abraham Rutgers van der Loeff (links achter op de preekstoel). Van de ca. 2100 ‘oud-strijders’ komt alleen een klein deel op de voorgrond in beeld. Ergens in de menigte van het middenschip, zijbeuken en dwarsschepen maakten de drie oost-Zeeuws-Vlaamse ‘veteranen van 1813-1815 de plechtigheid mee. Het gedenkboek van het nationale feest memoreert: “Zeker hadden de meesten der oud-strijders nooit gedacht, toen zij in hunne jeugd de wapenen aangordden tot bevrijding van den vaderlandschen grond, dat het hun nog gegund zou worden, om in gevorderden leeftijd te zamen te komen, om de dankbare hulde te ontvangen voor diensten, ruim vijftig jaar geleden door hen aan het vaderland bewezen.60.

Direct na het vertrek van Zijne Majesteit formeerden de ‘ordecommissarissen’ het defilé voor de laatste optocht van deze gedenk- en feestdag. Alles verliep weer strikt in de volgorde, door het draaiboek aangewezen: de leden van het kapittel van de ‘orderidders’, de leden der feestcommissie, de ‘orderidders’, de ‘veteranen van 1813-1815’ en andere genodigden, voor en achter een militair escorte en “muzijkkorpsen” tussen de groepen. Langs de route naar de “Grote Ruïne” en vooral in de sjieke straten Het Rapenburg en de Breedestraat, waren de huizen getooid met vers groen en andere kleuren. Overal gewapper van vlaggen, wimpels en banieren, het wuiven met hoeden en doeken, het juichen van duizenden aaneengeschaarde toeschouwers. En jawel, opnieuw strooide men bloemen en zelfs hele boeketten als prins Frederik, op deze dag ‘de eerste onder zijn gelijken’ van de helden van weleer voorbijreed61. Niet genodigd, maar toch nadrukkelijk aanwezig in de stoet waren enige “marketentsters”, onder wie ook de geüniformeerde “zoetelaarster”, die daarvóór de kerk was binnengeglipt.

(bron onbekend)
Een “marketentster”, “zoetelaarster” of ” cantinière” op leeftijd, maar nog steeds in functie en dus in vol ornaat, inclusief drankvaatje met tap aan de voorkant. Op 27 juni 1865 wist een van de in Leiden aanwezige ‘marketentsters’ zonder toegangskaart, want niet genodigd, de koning in de kerk een boeket te overhandigen. Dezelfde dame verscheen even later in de stoet op weg naar en ook op het veld van de “Grote Ruïne” toen de ‘orderidders’ en ‘Waterloo-veteranen’ zich na aankomst begonnen te verspreiden. Weer stal zij de show door Zijne Koninklijke Hoogheid prins Frederik een neut uit haar vaatje te offreren. Ondanks de doorgaans inferieure kwaliteit van de sterke drank uit dergelijke vaatjes, nam de prins de dronk minzaam aan. Nog frappanter is het feit, dat zij niet van het terrein werd verwijderd, maar samen met de oud-strijders gebruik mocht maken van het ingerichte buffet “dat ruimer was voorzien van andere en betere drinkwaren”62

Aangekomen op het veld van de“Grote Ruïne” na de plechtigheid zouden de ‘orderidders’ op deze locatie de rest van de dag in besloten kring verder hun feest vieren. Hiertoe had men een geschikte ruimte gevonden in het tijdelijke paviljoen, dat kort geleden door de studentensociëteit ‘Minerva’ als danszaal was gebruikt voor de viering van het 290-jarig bestaan van de Leidse universiteit. Dit studentenpaviljoen, voor de gelegenheid omgedoopt tot ‘ridderzaal’, was voor dit doel bijzonder luxe en weelderig ingericht. Men trad het gebouwtje binnen door acht geplooide deurgordijnen. De wanden waren rood met gouden versieringen behangen, de vloer belegd met kostbaar tapijt en ter decoratie waren verscheidene banieren en wapenschilden opgehangen. Het ordekapittel en de eregasten, onder wie prins Frederik, konden zetelen op een verhoog, omgeven door fraaie planten en bloemen. Direct na aankomst traden de ‘orderidders’ hun ‘ridderzaal’ binnen in het gezelschap van de prins en een schare notabelen. Na een korte toespraak door de koninklijke eregast schoven er een paar panelen opzij en openden zich“keurige en smaakvolle buffetten” met lunchgerechten63, waarop de gasten konden aanvallen. Al het lekkers werd geserveerd door“een genoegzaam aantal bedienden, allen in het zwart gekleed”[Hardenberg, 83]. Heel anders verliep het samenzijn van Jan Vermeersen, Arie van den Boogaart en Levien van Vooren c.s. Net als de ‘orderidders’ hadden zij sinds het ontbijt niets meer te eten gehad. Voor hen stond er in een tijdelijke loods ook een buffet”, maar dit was een schenktafel met alleen “verversingen”. Zij konden op het bekende houtje bijten tot aan het tijdstip van de aanvang van hun galadiner in de Hooglandse Kerk om 17.30 uur.
Onderwijl kregen ca. 600 ‘Waterloo-veteranen’, die tijdig hun ‘Zilveren Herdenkingskruis 1813-1815’ hadden aangevraagd, het felbegeerde eremetaal overhandigd uit handen van de Minister van Oorlog J. Blanken, daarbij geassisteerd door commissieleden van de organisatie. De andere aanwezige oud-strijders, onder wie ook het drietal uit oost Zeeuws-Vlaanderen, zouden de onderscheiding later via de burgemeesters van hun gemeente in ontvangst kunnen nemen64.
Tenslotte had op de locatie nog een door prins Frederik af te nemen parade plaats van de regimenten grenadiers en jagers, die deze dag als escorte hadden gediend. Net als de troepen stonden ook de ‘oud-strijders’ en de ‘orderidders’ in het gelid opgesteld. De prins met in zijn kielzog enige hoge officieren inspecteerde de manschappen, waarna de respectieve commandanten hun onderdelen lieten inrukken naar hun kazernes. De ‘ridders’ zochten de horeca-geneugten van het paviljoen weer op en de oud-strijders kregen het verzoek om zich op eigen gelegenheid van lieverlee te begeven naar de voor hen aangewezen gebouwen, het Invalidenhuis of de Hooglandse Kerk, voor het feestmaal te hunner ere.

In een tijd waarin restaurants in Nederland nog nauwelijks bestonden was het organiseren van een diner voor een gezelschap van ca. 1800 (!) personen een nog nooit vertoond huzarenstukje 65.

(erfgoedleiden.nl, objectnr. PV_PV22904; public domain) Litho van Gerard Jan Bos uit 1850 met de Hooglandse Kerkgracht en Hooglandse Kerk te Leiden

Leiden beschikte niet over een publiek gebouw om  zo’n buitengewoon groot gezelschap onder te kunnen brengen. Voor kolossale gebouwen moest je bij de grote religieuze kerkgemeenschappen zijn.
De Leidse hervormde gemeente beschikte naast de Pieterskerk, die op deze dag in gebruik was voor de officiële herdenking, ook over een tweede gebedshuis van grote afmetingen, de Hooglandse Kerk. Welwillend werd dit gebouw afgestaan om de ongeveer 1800 gasten gelijktijdig een diner te kunnen uitserveren66.
Vervolgens moesten er traiteurs worden gevonden, die een logistieke onderneming van deze omvang aandurfden. Het verzorgen van de feestdis voor ongeveer 300 genodigden in het Invalidenhuis was gegund aan de Leidse confiseur, koek- en banketbakker J.M. Couvee67. We kwamen hem al meerdere malen tegen als de uitbater en eigenaar van het stationskoffiehuis ‘Zomerzorg’. Voor de veel grotere culinaire operatie in de Hooglandse Kerk voor ca. 1800 personen waren de ervaren keukenmeesters Zomerdijk Bussink te Amsterdam en W. Hoogenstraaten en Zn te Leiden aangezocht68. Het kerkgebouw, dat op zondag 25 juni nog voor de 

kerkdienst gebruikt was, moest in ijltempo omgetoverd worden tot een sterrenrestaurant. Onder leiding van stadsarchitect J.W. Schaap was de ruimte geheel van zijn kerkmeubilair ontdaan en waar dat niet kon met blauw laken bedekt. De open ruimten tussen de pilaren in het koor was behangen met geplooid doek en vanaf de bovenkant van de zuilen verenigden zich rood, wit, blauw en oranje vlaggendoek naar één punt. Aan ieder van de andere kerkpilaren hingen rood-wit-blauwe vlaggen en oranje banieren. Leidse fabrikanten hadden hiervoor geheel belangeloos “duizenden ellen donker- en lichtblauw laken, benevens eene aanzienlijke hoeveelheid katoenen stof- en vlaggendoek” 69geleverd. In het koor stond een grote tafel met zilveren schalen en manden met bloemen voor de eregast prins Frederik, het kapittel (= bestuur) van de Militaire Willemsorde en de leden van de feestcommissie van deze nationale herdenkingsdag. Voor de tafelschikking van de ‘oud-strijders van 1813-1815’ was gebruik gemaakt van de kruisvorm van het kerkgebouw. In totaal stonden er, verdeeld over meerdere rijen, 36 tafels met ieder 50 couverts, zowel in de lengterichting van het middenschip als in de dwarsschepen70.

(i flickr.com/photos/gerbenwessels/4840708192)

Het zeer brede koor, middenschip en zijbeuken van de Hooglandse Kerk waren uitermate geschikt om meedere rijen tafels te plaatsen voor het galadiner van de ‘vetaranen van Waterloo’ op dinsdag 27 juni 1865.

Op de veteranen van 1813-1815, van wie velen een zeer eenvoudig of zelfs armoedig bestaan leidden, moet de ambiance van het gezamenlijke diner een overweldigende indruk hebben gemaakt. Zij traden een kerkinterieur binnen, dat door middel van uitgestoken vlaggen, hangende banieren en geplooide draperieën was herschapen in een middeleeuws aandoende troonzaal. Onder de vrolijke muziek van een op de orgeltribune geplaatste militaire kapel mochten de gasten zelf een zitplaats kiezen aan een van de lange met bloemversieringen getooide tafels. Op ieder bord lag een gedrukte menukaart en al waren de gerechten geen culinaire hoogstandjes, het diner bestond wel uit zeven gangen! Ook al hadden sommige genodigden misschien ooit zo copieus gegeten, toch zeker niet in deze overweldigende ambiance.
Volgens de menukaart bestond de maaltijdsamenstelling uit:

1.  Groentesoep.

2. Pasteitjes.

3. Rundvleesch met doperwten en aardappelen.

4. Ham in gelei met snij- of tuinbonen.

5. Kippen met salade.

6. Pudding met bessensauce.

7. Dessert, bestaande uit confituurtaarten, aardbeziën, sinaas-appelen, suikergoed, amandelen, rozijnen, brood, kaas, boter enz.72.

Het afsluiten van het diner  was tevens het einde van het aatste officiële onderdeel van de door de staat aan de ‘oudstrijders van Waterloo’ aangeboden herdenkingsdag. Maar inwoners en vereniginge in Leiden zorgden die avond nog voor een spetterend volksfeest ter ere van de oorlogshelden van weleer. Door heel de stad verspreid waren er openluchtfestiviteiten, bestaande uit muziekuitvoeringen, toneelstukjes, acrobatiek en goochelkunsten. Dit  vermaak werd op bepaalde locaties sfeervol geïllumineerd met “gazverlichting” en lampionslingers.  Zo stonden er een Chinese tempel op de brug aan de Vrouwensteeg en op de Beestenmarkt; met lampions verlichte erepoorten en piramiden aan de Hogewoerdspoort op de Levendaal en meanderden er veel lampionslingers in de straten73. De in groten getale uitgewaaierde oud-strijders konden zich “verlustigen in al het schoone en prachtige dat zich aan hun oog vertoonde, werden door Leidens burgerij met onderscheiding bejegend, in den kring opgenomen en onthaald. De bevolking raakte al meer en meer in geestdrift, de volksliederen weergalmden langs straten en pleinen, overal heerschte luidruchtige vreugde, dartelende vrolijkheid, jubelende blijdschap; doch, en dit strekt oud-strijders en burgerij tot hooge eer, nergens zag men dronkenschap of stoornis van de goede orde”74. De op deze nationale herdenkingsdag genodigde veteranen en ‘ridders’, die geen nachtlogies in Leiden hadden, alsmede de ontelbare bezoekers van elders, vertrokken tegen middernacht met de laatste treinen, trams, boten of met eigen vervoer naar hun woonplaatsen. De logerende gasten zochten hun lokalen voor de nacht op.

8. De Napret

8.        De napret thuis

Zoals het feest te Leiden op maandag 26 juni 1865 in de late namiddag was ingeleid, zo eindigde het ook op woensdagmorgen 28 juni.
Na het ontbijt gingen de gasten onder geleide naar het verzamelpunt Invalidenhuis en vandaar in optocht naar het station, waar zij met speciale treinen tussen 10.15 en 10.30 uur vertrokken richting Amsterdam en Rotterdam. Tijdens het oprijden weerklonk het lamgzaam vervagende gejuich van de uit de coupéramen hangende oud-strijders. Vanaf het Stationsplein waren de laatste tonen van het Wilhelmus hoorbaar en ten slotte daverde vanaf het Schuttershof het kanongebulder voor een luidruchtig maar definitief einde van het herdenkingsfeest64.

(foto boven: Van der Meer, 29; Station Haarlem 1865.
foto rechts: Van der Meer, 268; interieur van het vierassige 3e klasse rijtuig NS C 5019, ex HSM 719 uit 1940)

De – wat wazige – foto boven geeft een betrouwbaar tijdsbeeld van het rollend treinmaterieel uit 1865, het jaar van de herdenkingsdag van de ‘oudstrijders van 1813-1815’ in Leiden. Op het perron staat de door locomotief ‘Holland’ getrokken personentrein van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij  klaar voor het vertrek. Bij de losse goederenwagon rechts is het destijds door de maatschappij gehanteerde breedspoor van twee meter goed te zien.

In 1865 was de trein weliswaar het snelste vervoermiddel over land, maar allesbehalve comfortabel. Een plaats zoeken was een chaotisch en onoverzichtelijk gebeuren, want zonder een doorlopend gangpad had iedere coupé een eigen deur. De onverwarmde wagons waren ’s winters ijskoud en zonder koeling ’s zomers boedheet. In de tweede en derde klasse waren de zitbanken van hout. De bonkige bewegingen a.g.v. het breedspoor bevorderde het reisplezier evenmin. Op de foto hiernaast van het interieur van een derde klasse rijtuig uit 1940 oogt de inrichting nog even Spartaans als rond 1865

37

Van de drie oud-strijders uit  oost-Zeeuws-Vlaanderen arriveerden Jan Vermeersen en Arie van den Boogaart op vrijdag 30 juni weer in hun woonplaatsen. De lokale  kranten rapporteerden uitgebreid over het onthaal, dat de feestgangers ten deel viel. Ondanks het ontbreken van snelle  communicatiemiddelen wist men in Hulst in de vroege vrijdagochtend al, dat beide veteranen zich in Sint Niklaas bevonden. Mogelijk kwam de snelle berichtgeving tot stand via een ijlkoerier te paard of per postduif. Op het moment, dat Jan en Arie rond 10.00 uur bij de Gentse Poort aankwamen, was een groot deel van de stedelingen ter begroeting uitgelopen. De  schooljeugd onder leiding van de stadsonderwijzer en het Muziekgezelschap Harmonie met [vice-] directeur  A.L.J.van Waesberghe stonden paraat voor de muzikale hulde. Na een kort welkomstwoord zongen de leerlingen, begeleid door de harmonie, het gelegenheidslied ‘De Waterloovlakte’, op muziek gezet door de dirigent van het muziekgezelschap Pius de Pauw 69. Daarop ging het in optocht stadinwaarts richting burgemeesterswoning met de harmonie voorop en de zingende schooljeugd daarachter. Aan het eind van de stoet defileerden de twee ‘veteranen van 1813-1815’, waarbij Jan Vermeersen indruk maakte “met eene nog echt fiere militaire houding”71. Burgemeester Philip Pierssens begroette “den grijzen strijders”  feestelijk en na nog enige toespraken, harmoniemuziek en kindergezang kregen de veteranen van Waterloo daar een verversing. Vervolgens trok de stoet verder naar de door de buurt versierde Kreupelstraat, waar aan de woning van Jan Vermeersen een erepoort gebouwd was. Hierna gingen allen uiteen.

De feestelijke dag werd ’s avonds voortgezet met een serenade van de harmonie aan het huis van het echtpaar Vermeersen, dat vervolgens naar de “muzijkzaal” in “Het Wapen van Zeeland” van herbergier Daniel Eijlders in de Grote Zwanenstraat werd geleid. Hier mocht Jan in een verheven zetel plaats nemen ter ere van een voor hem gehouden buitengewoon concert o.l.v. muziekmeester P. de Pauw, bijgewoond door de “heren honoraire leden en hun dames”75. Bij het aanbieden van de erewijn overhandigde voorzitter Van Waesberghe aan Vermeersen een diploma als erelid van het muziekgezelschap. Op de rustige momenten tussen de muziekstukken door vertelde Vermeersen honderduit over het nationale herdenkingsfeest te Leiden, waar het publiek tijdens de optochten bloemen op de weg strooide en de helden van weleer toeriep “Kunt ge wel gaan oude mannen? Wordt ge niet moede dierbare verdedigers? Zoo ja, zeg het maar, we zullen u dragen”. Ook toonde Vermeersen een te Charleroi getekend stuk uit het laatste jaar van zijn dienstplicht , getekend op 7 oktober 1820, voorzien van elf handtekeningen met de erkenning, dat Vermeersen een uitmuntend schermmeester was.
Van meer blijvende waarde dan de genoeglijke avond  was de spontane ingeving van arts Emanuel Vogelvanger. Als  teken van erkenning en voor het verzekeren van een meer onbekommerde oude dag liet hij een lijst rondgaan om in te tekenen voor een jaarlijkse bijdrage voor de echtelieden Vermeersen. 
Na afloop van de soiree werd het bejaarde echtpaar netjes naar huis geleid door de harmonie en de honoraire leden met hun dames en ondanks het late tijdstip was ook de schooljeugd nog present om de dag met – wederom – de ‘Waterloovlakte’ af te sluiten.

De ontvangst van Arie van den Bogaart in Graauw is door de krantenjournalistiek al even uitgebreid vastgelegd.
Toen men in de ochtend van 30 juni in Graauw vernam, dat hij in het gezelschap van Jan Vermeersen in Hulst was teruggekeerd, liet men daar een postduif op met het bericht, dat Arie ’s middags aan de gemeentegrens bij ’t Jagertje door de burgemeester persoonlijk zou worden afgehaald . 

(atlas van Kuyper, in atlas1868.nl, objectnr. Z-E30, kaart van de gemeente Graauw en Langendijk uit 1865)

Linksonder raakt de punt in de geel-oranje grenslijn van de gemeente Graauw het grondgebied van de gemeente Hulst. Op deze locatie, ter hoogte van “Het Jagertje” werd Arie van den Boogaart door de burgemeester van Graauw afgehaald. 

Als er vroeger van officiële zijde iemand in de gemeente verwelkomd of uit de gemeente uitgezwaaid werd, had dit moment doorgaans plaats aan de gemeentegrens bij een van de uitvalswegen. Op 30 juni 1865 was ‘veteraan van 1813-1815’ Arie van den Bogaart uit Graauw eventjes belangrijk genoeg om hem aan de gemeentegrens ‘in te halen’. De gemeente Graauw raakte de grens met de gemeente Hulst in een puntige strook ter hoogte van ’t Jagertje [linksonder op de kaart hierboven]. Hier mocht Arie voor de terugreis naar zijn woonplaats plaatsnemen naast burgemeester Andries Bogaert in diens met vlaggen versierde open koets. De bereden erewacht stelde zich voor, achter, links en rechts van het rijtuig op om de oud-strijder plechtstatig te escorteren. In het gehucht Zandberg reed de de stoet al vast in de massa van de massaal uitgelopen ingezetenen. Stapvoets ging het cortège onder meerdere inderhaast opgerichte erepoorten door en hield men halt voor de onvermijdelijke feestdronk. Toen daarna de weg naar de bebouwde kom van Graauw werd vervolgd stierven de  Zandbergse vreugdekreten weg om over te gaan in een klankenbrij van gejubel van inwoners, van kerkklokgelui en van her en der afgeschoten geweer- en pistoolsalvo’s. Overal langs de kant zag men uitbundig  gewuif met hoeden en petten. Het escorte werd ontbonden aan de gemeentekamer, waar eregast Arie door de burgemeester en de gemeentesecretaris werd gelukgewenst en de onvermijdelijke volgende erewijn kreeg gepresenteerd. Bij deze officiële ontvangst was ook de 81-jarige huisgenote van Arie, Apolonia Herman, aanwezig. Het feestvertoon ging verder met een rondwandeling annex kroegentocht door het met vlaggen en erebogen versierde dorp, onder aanhoudend gezang, gejuich, vreugdeschoten en het de niet aflatende heildronken. Eerst rond half tien ’s avonds bereikte het feestgewoel het huis van de inmiddels zeer vermoeide veteraan en nog was het niet genoeg. In de stampvolle woning klonk nog meer gezang en vloeide de wijn nog even rijk, totdat de burgemeester aangaf dat het uur van afscheid nu echt daar was. 

Bronnen en Literatuur

Archiefbronnen en Literatuur

Afkortingen

  • GAH               Gemeentearchief Hulst.
  • KB                  Koninklijk Besluit.

Archiefbronnen

  • Het Hulsterblad,       edities tussen mei en augustus 1865, GAH.
  • Inschrijvingsregister Huis van Bewaring te Hulst, GAH.

    Literatuur

    Aa, A.J. van der
    Handboekje voor reizigers door ons vaderland, Amsterdam 1849.

    Bootsma, K.
    ‘Onbezongen oorlogsheldinnen: Oorlogsbijdragen en lotgevallen van wasvrouwen en marketentsters in het negentiende-eeuwse Nederlandse leger,’ Groniek 51 (2019), 49-64.

    Hardenberg, H.
    Het nationaal feest te Leiden ter eere van oud-strijders van de jaren 1813-1815, en ter viering van het halve eeuwfeest der militaire Willemsorde op den 27 juny 1865,  Den Haag 1865.

    Meer, J.A. van der
    “De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij”,  2009.

    Meijer, H. G
    ‘Het Zilveren Kruis 1813-1815’, Mars et Historia (1972), 1.

    Montagne, A.; Bos, G.J.
    “Album bevattende eenige afbeeldingen der voornaamste hoofdgebouwen en fraaiste gezigten in en nabij de stad Leiden”
    , Leiden, 1859, eerste serie.

    Sloos, L.
    Onze slag bij Waterloo. De beleving van de overwinning op Napoleon in Nederland, 2005

    Lynn, J. 
    Women, armies and warfare in early modern Europe, Cambridge 2008.

    Roel, T.
    Een korte geschiedenis van de Slag bij Waterloo, Amersfoort 2015.

    Vels-Heijn, N.
    Glorie zonder helden. De Slag bij Waterloo, waarheid en legende, 1974

    Laatste updates

    Datum

    04-08-2024

    In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

    De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

    Datum

    05-07-2024

    In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

    Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

    Datum

    03-2024

    Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

    De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

    Datum

    01-2024

    In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

    Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

    Datum

    12-2023

    In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

    Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

    Datum

    11-2023

    In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

    Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

    Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
    U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

    Meld u aan voor onze nieuwsbrief