Gallandat

Inleiding

Dit straatnaambord voor Isaac Henry Gallandat komen wij in de vestingstad niet tegen. Bijna  tweehonderd jaar na zijn overlijden in 1823 ontbreekt nog iedere gedachtenis aan deze arts en burgemeester van Hulst.
Gemeentearchivaris Adriaanse noemde hem in 1930 de stuwende, verzoenende, opbouwende kracht, de goede genius van Hulst en verzuchtte vervolgens: Waar zelfs het geringste huldebewijs aan zijn nagedachtenis in de Hulstersche stede ontbreekt, moge dit Gedenkboek zijn lof verkondigen 1. Bij dit ene eerbetoon is het gebleven, maar ondanks de intentie van Adriaanse is zijn bijdrage bepaald geen biografie 2!
Isaac Gallandat behoort niet tot het selecte groepje burgemeesters, aan wie de herinnering met een straatnaambord of anderszins levend wordt gehouden.
Dit artikel wil deze bescheiden, maar zeer markante mens de waardering geven, die hem toekomt. Wie hier immers in het tijdsgewricht van de 18e naar de 19e eeuw een  bestuursfunctie bekleedde, moest regelmatig behendig laveren en soms spitsroeden lopen tussen de elkaar snel opvolgende  staten en regeringen. Isaac Gallandat beleefde in Hulst het laatste decennium van de Verenigde Provinciën (1785-1795), de bijna twintigjarige Franse bezetting (eind 1794-1813), de opbouw van een nieuwe Nederlandse staat (1813-1815) en de eerste acht jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1823).
Waar bij machtswisselingen overheidsfunctionarissen uit zijn omgeving nogal eens uit de wind bleven of op de vlucht sloegen, bleef Gallandat ter bescherming van de stedelijke bevolking op zijn post. Toen hij in de nadagen van de Franse overheersing als burgemeester zijn ambtelijke rug rechtte, werd hij zelfs regelrecht bedreigd en afgeperst, maar hij week niet!
Over zijn jeugd, zijn universitaire studie en korte carrière als arts en verloskundige in zijn geboortestad Vlissingen is hoegenaamd niets bekend. Om in deze leemte enigszins te voorzien, bestaat deze verhandeling uit een tweeluik.

Uit de overgeleverde bronnen betreffende de levensloop van vader David Henry in Vlissingen en van zoon Isaac Henry in Hulst blijkt immers, dat beider karakters en medische loopbaan veel overeenkomsten vertonen. Met behulp van een biografie van David Henry  kunnen de leemten in de levensloop van Isaac Henry enigszins worden aangevuld. Daarnaast geeft dit tweeluik een helder inzicht in de mogelijkheden en omstandigheden van artsen eind 18e– begin 19e eeuw.
De keuze voor een tweeluik heeft de omvang van het artikel veel vergroot, maar voor het deel over Isaac Henry Gallandat in Hulst hoeft het gedeelte over zijn vader niet per se gelezen te worden. Wel wordt in het deel over Isaac Henry regelmatig naar een passage uit de biografie van zijn vader verwezen worden. Van vader David Gallandat is geen integrale studie voorhanden, maar hij heeft wel een deel van zijn persoonlijke en zakelijke correspondentie nagelaten 3.

Op 1 september 2023 is het tweehonderd jaar geleden,  dat Isaac Henry Gallandat overleed, een goede gelegenheid voor het gemeentebestuur om hem met een permanent eerbewijs in Hulst zichtbaar te herinneren.

De Krasse Knarren van Waterloo

Woord Vooraf

Het aantal studies met een beschrijving van de militaire gebeurtenissen van ‘De Slag bij Waterloo’4op zondag 18 juni 1815 is bijzonder groot, maar de hoeveelheid verhandelingen over andere aspecten van deze veldslag juist erg klein. Thema’s zoals bijvoorbeeld de gewondenverzorging, het weghalen en de ter aarde bestelling van de gesneuvelden, het lot van de oorlogsweduwen en -wezen, de rol van de marketentsters, het aandeel van het Nederlandse contingent en de wijze van herdenking zijn veel minder en veelal marginaal onderzocht en gepubliceerd. Dit geldt ook voor de wederwaardigheden van de vele duizenden ‘Waterloo-veteranen’5en hun families: wie waren zij, wat maakten zij na 1815 van hun leven, was er ondersteuning voor de behoeftigen en invaliden onder hen, konden zij rekenen op belangstelling en erkenning van het Nederlandse volk en overheden?

In Nederland hoefden de oud-strijders van de kant van koning, regering en parlement vijftig jaar lang (!) niet op enige openlijke waardering te rekenen. Pas in 1865 – en alleen onder zware druk van de publieke opinie – kwam de officiële erkenning in de vorm van een nationale herdenkingsdag, speciaal voor de ‘helden van weleer’ en de uitreiking van een onderscheidingsteken in de vorm van een zilveren borstkruis. Voor de vele in 1865 al overleden ‘oud-strijders van 1813-1815’’ kwam dit eerbetoon veel te laat.

Toch bleken er bij de feestelijke reünie in Leiden nog heel wat ‘krasse knarren’ in leven te zijn, onder wie vier uit oost Zeeuws-Vlaanderen: uit IJzendijke, Graauw, Sint-Jansteen en Hulst. Drie van deze vier ‘veteranen van 1813-1815’ hebben de nationale herdenkingsdag te Leiden in 1865 bijgewoond. Dit artikel gaat over hun deelname aan deze feest- en gedenkdag.

(Petrus Marinus Slager, 1875, museum Slager, Den Bosch; foto auteur).

In 1875 vervaardigde Petrus Slager een manshoog groepsportret van acht in ’s Hertogenbosch woonachtige veteranen ter gelegenheid van de zestigjarige herdenking van de Slag bij Waterloo. Wie de opdrachtgever was en welke oud-strijders er zijn afgebeeld, is niet precies bekend.
Op het moment van de schildering waren er in Den Bosch zeker dertien zeer ‘krasse knarren’ onder de oud-strijders in leven. De afgebeelde grijsaards poseerden met hun Zilveren Kruis dat ze in 1865 hadden gekregen voor hun bewezen moed en trouw, betoond aan het vaderland. Ze staan symmetrisch opgesteld rondom een buste van koning Willem II, die vanwege een lichte verwonding op het slagveld ook in de eregalerij van ‘Waterloo-helden’ was opgenomen. Op de achtergrond is nog de beeltenis van Prins Frederik, de jongere broer van Willem II weergegeven; Ook hij nam deel aan de ‘Slag bij Waterloo’. Ten slotte bevinden zich de wapens van Brabant en Den Bosch in de bovenhoeken. 

Enigszins ingezoomd is midden boven achter de top van het vaandel in een medaillon het gelaat van prins Frederik zichtbaar. Na de nationale feestdag in 1865 in Leiden richtten de hier afgebeelde oud-strijders een gezelligheidsclub op, waarvoor ze zelfs een vaandel lieten maken. Dat was kassa! Dit banier heeft een centrale plaats op het schilderij gekregen. Van boven naar onder lezen we de tekst “held van Waterloo Koning Willem II Eereteken van de oudstrijders van 1813-1815 Door Zijne Majesteit Koning Willem III in 1865 uitgereikt. 
Het ‘eereken’, het zilveren kruis’ is prominent in het midden geborduurd.

Het schilderij van Petrus Slager is als kunstobject en historische bron uniek. Geportretteerde afbeeldingen van ‘oud-strijders van 1813-1815 zijn er nauwelijks en zeker niet in dit formaat. Als de veteranen in het jubileumjaar 1865 al tot de ‘knarrencategorie’ behoren, dan was  deze tien jaar later geschilderde groep besist de ‘buitencategorie’. Met hun diep doorgroefd gelaat waren zij nog kras genoeg om, gekleed in het zondagse pak en getooid met zijden hoge hoed, voor de schilder in een of meer lange sessies te poseren.

Rouleau

Een niet zo heilig Heilig Hartbeeld

Architect Jos Rouleau contra het r.-k. kerkbestuur

I     Het contract uit ‘Huize Noodlust’

Op 30 oktober 1919 was het gezin van de jonge architect Frans Peter Joseph6Rouleau in Hulst neergestreken. Met echtgenote en kinderen bivakkeerde hij geruime tijd nogal primitief in een houten loods op het terrein van de marechausseekazerne aan de Van Maelstedeweg. Omdat dit provisorisch onderkomen geen officieel wijknummer had, werd de barak zowel in de volksmond als door Rouleau en anderen in onderlinge correspondentie “Huize Noodlust” genoemd. Dat deed ook pastoor-deken Luijkx in de vergadering van het rooms-katholieke kerkbestuur van de H. Willibrordusparochie op 23 september 1920. Hij verraste de bestuursleden met het nieuwtje “dat de Heer P.F. Joseph Rouleau, architect, Huize Noodlust alhier”7het initiatief had genomen voor de “intronisatie” (lett. ‘op de troon plaatsen’, d.w.z. de plechtige inwijding door een geestelijke) van een Heilig Hartbeeld.

Advertentie uit Het Hulsterblad 11-06-1921, 3.

Hoewel Rouleau eind 1919 in Hulst kwam wonen, maakte hij pas op 11 juni 1921 met een advertentie zijn permanente vestiging als architect in de stad bekend. In de tussentijd verhuisde hij voor kortere of langere tijd naar omliggende plaatsen als zijn bouwprojecten naar zijn zin te ver van Hulst lagen. De naam “Huize Noodlust” was in dit verband een ironische verwijzing naar het tijdelijke karakter van de armetierige barak aan de Van Maelstedeweg. Na een kortstondig verblijf in IJzendijke in de periode februari/mei 1921 vanwege de opdracht voor de bouw van een woning eindigde zijn rondzwervend bestaan. Rouleau keerde naar Hulst terug om er te blijven tot 1959. Het driejarig contract met de gemeente voor het ontwerpen van woningen in de zogenaamde ‘Nieuwe Wijk’ (omgeving Frans van Waesberghestraat, Vestdijk en Houtenkwartier) heeft ongetwijfeld bijgedragen tot de keuze voor Hulst als vaste woonplaats.

Rouleau kwam met een wel heel aantrekkelijk aanbod. Voor de kerktuin, behorend bij het katholieke deel van de toen nog bestaande simultaankerk8aan de “Pema”= zuidkant van het kerkgebouw had hij een klein halfopen heiligdom voor het heiligenbeeld ontworpen. De kosten voor het concept, de materialen en het constructiewerk kwamen volledig voor rekening van de architect. Wel vroeg hij het r.-k. kerkbestuur het Heilig Hartbeeld aan te leveren en te zorgen voor de inrichting van de omgeving van het monument. De bestuursleden ter vergadering, bierbrouwer Henri Maertens, koopman Ernst Wilking en burgemeester Frans van Waesberghe, waren zo verguld met dit genereuze gebaar, dat zij meteen unaniem instemden, zij het onder de voorwaarde, dat in de presentatie aan de parochie het kerkbestuur als initiatiefnemer zou worden genoemd.

Aquarel (schildering in waterverf) van het ontwerp van het monument voor het Heilig Hartbeeld in de kerktuin van de Willibrorduskerk. Het waterverfschilderij is vrijwel zeker gemaakt door Rouleau zelf, want het vertoont dezelfde schildertoets als door hem vervaardigde aquarellen, aanwezig in het gemeentearchief van Hulst. Gezien de op de schildering aanwezige datering 9 september 1920 zullen de leden van het  r.-k. kerkbestuur voor of op de vergadering van 23 september 1920 het  ontwerp gezien hebben.

(GAH zonder inventarisnummer)

Na de positieve stemming van de kerkenraadsleden ontving pastoor-deken9Luijkx van de architect een schrijven, inclusief een conceptcontract met bepalingen betreffende de bouw en het onderhoud van het monument-in-spe. De brief sloot af  met de woorden “Gaarne wilde ik, zooals ook U verlangen is, een onderlings contract sluiten ter voorkoming van eventueele moeilijkheden (…)”10. Uit het briefeinde blijkt, dat beide partijen al eerder overeengekomen waren om de afspraken ter zake vast te leggen in een “onderhandse akte”(d.w.z. zonder tussenkomst van een notaris). De pastoor stuurde het origineel terug naar de architect, voorzien van de drie volgende kanttekeningen in de marge.

Bronlocatie van de drie onderstaande citaten: 
GAH, Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 9 (27-09-1920). (9) en 27-09-1920 (13).

Bij Rouleau’s belofte om het H. Hartmonument op het kerkplein gratis te plaatsen “inbegrepen het klaarmaken van het terrein en het rooien van planten en boomen”, schreef pastoor Luijkx in de marge “voor zoover noodig voor het opbouwen van het monument”, waarna de architect hier “goed” bij zette.

De verplichting om het monument “ten eeuwige dage” te laten staan streepte Luijkx door en plaatste de kanttekening “ten eeuwigen dage vind ik te bezwaarliijk”.

De voorwaarde, dat in geval van beschadiging het monument alleen door Rouleau  of diens rechtmatige erfgenamen mocht worden gerepareerd op eigen kosten van het kerkbestuur, werd gemaximeerd “tot eene som door het kerkbestuur goed te keuren”.

Op 12 november 1920, bijna zeven weken na de ontvangst van Rouleau’s conceptakte, tekenden enerzijds voorzitter pastoor-deken F.A. Luijkx en secretaris F.J.L. van Waesberghe namens het r-.k. kerkbestuur en anderzijds architect F.P.J. Rouleau het definitieve onderhandse contract. Of en in welke mate beide partijen in de tussentijd nog hebben onderhandeld over de definitieve inhoud is niet na te gaan. Dit is jammer, omdat we nu niet kunnen verklaren, waarom het kerkbestuur ondanks de drie eerdergenoemde kritische kanttekeningen toch onverkort akkoord was gegaan met alle door Rouleau aangedragen clausules. Op deze manier waren de kerkeraadsleden immers  eigenaar geworden van een gratis stukje onroerend goed, waarover de gulle gever zowat alle zeggenschap behield.

Op 12 november 1920 ondertekende Frans Luijkx, pastoor-deken van Hulst, het onderhandse contract tussen het r-k. kerkbestuur en Frans Rouleau. Van deze pastoor is alleen een enigszins herkenbare foto aangetroffen op een groepsportret, ook uit 1920.
Op 29 november van dat jaar werd in Hulst de Rooms-Katholieke Middelbare Landbouwschool geopend. Pastoor Luijkx flankeert rechts (links voor de kijkers) bisschop Hopmans (tweede rij, midden, met keten en hoofdkapje in de rechterhand). De opening van de school was voor het onderwijs in Hulst en omgeving een belangrijke mijlpaal en daarom beslist een feestelijk gebeuren. Toch trekken alle leerlingen, notabelen en docenten een ‘deftig-somber’ gezicht, alsof de fotograaf het consigne “lachen verboden” heeft opgelegd.

(bronlocatie onbekend)

Ook is het merkwaardig, dat de pastoor of het r.-k. kerkbestuur had nagelaten de bisschop van Breda in te lichten voordat er getekend was. Binnen de machtsstructuur van de Rooms-Katholieke Kerk hebben parochiebesturen voor bijna alle handelingen, met name die van juridisch-financiële aard, vooraf de episcopale toestemming nodig.
Anderzijds had de architect van zijn kant geen bepaling laten opnemen over de deugdelijkheid van het door het kerkbestuur te leveren Heilig Hartbeeld, dat immers aan weer en wind zou worden blootgesteld.
Toch meenden beide partijen met dit officiële document eventuele moeilijkheden te hebben voorkomen, maar het eenzijdige contract uit “Huize Noodlust” zou zeven jaar later de nodige munitie leveren voor een vooral door Rouleau veroorzaakt conflict.

2.      Een imposante intronisatie

Voorlopig was er nog geen vuiltje aan de lucht.
Rouleau zegde toe om in het vroege voorjaar van 1921 met de voorbereidingen voor het monument te beginnen en de constructie rond het begin van de zomer af te ronden11. Dankzij het door het r.-k. parochiebestuur geaccepteerde ontwerp, de vrije hand in de bouw en de aanleg van de kerktuin rondom kon hij zich naar eigen goeddunken uitleven12.
Zijn aan de kerk kosteloos aangeboden creatie kostte de architect wel het nodige geld, want uit niets blijkt dat hij zelf met troffel, specie en bakstenen aan de slag ging. Al het werk moest zelfs uitbesteed worden, omdat Rouleau met zijn gezin van 10 februari tot 10 mei 1921 vanwege een bouwproject in IJzendijke woonde.  Tijdens deze drie maanden kon hij niet (steeds) op de voortgang van de bouw toezien, maar desondanks was zijn ‘meesterwerk’ begin juni klaar en kon het Heilig Hartmonument aan het kerkbestuur in eigendom worden overgedragen13. Na de terugkomst in Hulst keerde het gezin niet meer terug in “Huize Noodlust”, maar betrok het een heuse woning14.

Op het moment van de oplevering was onder supervisie van ‘mijnheer pastoor’ alles in de parochie piekfijn in gereedheid gebracht voor het onthullen van het monument en het inwijden van het Heilig Hartbeeld op zondag 5 juni 1921. Dat de intronisatie zou worden gevierd “met grote luister en plechtigheid als van een kerkelijk feest”15 paste perfect in de toenmalige traditie van het “Rijke Roomse Leven” in katholiek Zuid-Nederland. Drie dagen voor de ceremonie bracht de provinciale krant Zelandia de parochianen alvast in de juiste devotionele stemming met een ronkende lofrede:
“En terwijl dan de ranke toren (d.w.z. het monument) sierlijk ten hemel oprijst om het geloof aan de voorvaders aan stad en land te verkondigen, het eerste in Zeeland, zal het H. Hart-monument van den Godsdienstzin der Hulstenaren getuigenis afleggen”16.

Het inwijdingsritueel van het Heilig Hartbeeld werd als een onderdeel opgenomen in het “Heilig Lof”, de gebruikelijke katholieke gebedsdienst op zondagmiddag, waarbij “Het Allerheiligste” (het lichaam van Jezus Christus) wordt aanbeden in de vorm van een gewijde hostie (een door de priester gezegend dun broodschijfje). Met een opkomst van ongeveer duizend parochianen zaten het koor en de beide dwarsbeuken, het  toenmalige katholieke deel van de ‘simultaankerk’ tjokvol. Na de opening met een lofzang op het Heilig Sacrament (de eucharistieviering of heilige mis) besteeg pastoor-deken Luijkx de preekstoel om “in een heerlijk sermoen”17uiteen te zetten, dat met de intronisatie Jezus’ koningschap openlijk wordt gehuldigd en erkend. Hierna verlieten de gelovigen het kerkgebouw door de ingang aan de Korte Nieuwstraat en trokken zij in een korte processie langs het einde van de Steenstraat en de Grote Markt naar het Heilig Hartmonument in de kerktuin naast het Cornelis de Vosplein. Onder de kerkgangers liep een deel in verenigingsverband mee, waaronder met name de “broederschappen”18met hun vaandels. Vanzelfsprekend was de “Broederschap van het Allerheiligst Hart van Jezus” met 300 man voltallig aanwezig.

Foto van het door architect Jos Rouleau ontworpen, in donkere baksteen uitgevoerde, H. Hartmonument. Op een onderbouw van drie concentrische trapjes verheft zich een halfopen cilinder, boven afgesloten met een geprofileerde kroonlijst. Op de gemetselde kolom rust een vrij zwaar hardstenen koepeltje. Aan de zijkanten zijn twee evenwijdige muurtjes aangebracht, die met een knikje eindigen in een trapgevel-elementje. In de halfronde open ruimte is het Heilig Hartbeeld geplaatst op een hoog rond voetstuk in hardsteen met een metalen kaarsenhouder rondom. De staande Christus, gekleed in een lang geplooid gewaad, wijst met de wijsvinger van zijn linkerhand naar zijn door stralen omkranst hart. Vóór het kleine heiligdom bevinden zich twee eenvoudige gebogen houten zitbankjes.

(GAH Collecties particulieren XII, collectie Rouleau, doos 1)

Verschillende zangafdelingen brachten liederen ter ere van het ‘Heilig Hart’ ten gehore en tussen de gezangen door vond de plechtige inwijding plaats van beeld en monument door pastoor-deken Luijkx. Na de ceremonie ging de stoet via dezelfde route terug naar de kerk, waar allen weer plaats namen voor de afronding van het Lof met de lofliederen ‘Tantum ergo’ en ‘Te Deum’, de zegening met het Allerheiligste in de monstrans19en ten slotte de hymne ‘aan U, o Koning der eeuwen’ 20.

Geen feest zonder commercie!

Niet toevallig plaatste winkelier Jan Hoogwijk van “De goedkoope winkel”, op de hoek van de Steenstraat met de (toen nog) Lange Vestdijkstraat, vlak voor de plechtige intronisatie op zondag 5 juni 1921 een advertentie om zijn beelden van het Heilig Hart van Jezus aan te prijzen.
(Zelandia, 04-06-1921)

3.         Een heilig hart van hout

In de jaren na de inwijding op 5 juni 1921 voldeed het  H. Hart-heiligdom ogenschijnlijk naar ieders tevredenheid. Dat er mettertijd onderhuids toch wat broeide, kwam begin juli 1927 plotsklaps aan de oppervlakte. In een brief aan “den Hoogeerwaarde Heer” pastoor-deken Rops, de opvolger van de in 1922 overleden Frans Luijkx, verweet Rouleau het r.-k. kerkbestuur de slechte staat, waarin het monument verkeerde en met name het verval van het heiligenbeeld. Onder verwijzing naar het onderhandse contract van 1920 21, memoreerde hij, dat er sinds de oprichting in 1921 vrijwel niets aan noodzakelijk onderhoudswerk was gedaan.
De toon was gezet!

Petrus Josephus Rops was op 22 februari 1922 benoemd tot pastoor-deken in Hulst als opvolger van de op 7 februari van dat jaar overleden Franciscus Adrianus Luijkx. Door zijn aanstelling zat hij ongevraagd opgescheept met architect Rouleau en diens eenzijdige contract van 12 november 1920. Anders dan zijn voorganger had hij maar weinig affiniteit met het Heilig Hartmonument. Hij ontweek dan ook de contractuele onderhoudsplicht van het kleine heiligdom. Als voorzitter van het kerkbestuur reageerde hij in de door Rouleau opgeklopte ruzie in de correspondentie redelijk en vreedzaam, maar zaagde tegelijkertijd op verschillende manieren de poten onder de stoel van de architect weg. Het geschil culmineerde in het besluit om het monument in de kerktuin te laten afbreken. Henri Maertens en Ernst Wilking, in 1920 nog fervent voorstander, zaten in 1927 nog steeds in het kerkbestuur22, maar ook bij hen was de liefde voor het monument intussen stevig bekoeld.

Rouleau’s kritiek was niet mals. Het langdurig achterstallig onderhoud  vereiste  algeheel schilderwerk, vernieuwing van de bloembakken op de twee muurtjes, het stevig vastzetten van een ondeskundig doorgezaagde kaarsenstandaard rond het voetstuk en herstel van het zink- en loodwerk. De conditie van het Heilig Hartbeeld was zelfs zo slecht, dat het beter door een nieuw beeld vervangen kon worden23.
Het in een halfopen cilinder geplaatste beeld was weliswaar blootgesteld aan weer en wind, maar een deugdelijke sculptuur zou veel langer mee moeten kunnen dan 7 jaar. In dit geval was er echter sprake van een uit het kerkgebouw opgescharreld “heel oud verwaarloosd houten H. Hartbeeld” 24, dat met wat provisorische reparatie en een lik buitenbeits de tand des tijds moest doorstaan. De schraperigheid van het r.-k. kerkbestuur woog in 1920 blijkbaar zwaarder dan zijn devotie voor “Het Allerheiligst Hart van Jezus” en de erkentelijkheid voor het tegenover Rouleau. Omdat in de onderhandse akte van 1920 in de clausule over het heiligenbeeld alleen was opgenomen, dat de parochie het beeld zou aanleveren, kon het r.-k. kerkbestuur er niet contractueel op worden aangesproken. Rops reageerde in ieder geval zeer terughoudend en ontwijkend op de door Rouleau gewenste maatregelen voor ‘groot onderhoud’. Hij beriep zich op overmacht, want men was voor het jaar 1926 “zeer ver boven de begroting gegaan”25.  Het vervangen van de leien op het kerkdak en groot herstelwerk aan het dak van het Aloysiuspatronaat in de Kruisstraat was duur geweest. Daarom moest er in 1927 bezuinigd worden waar het maar kon om ‘quitte’ te spelen’. Aan geld voor beeld en monument viel niet te denken.
Rouleau had geen boodschap aan de financiele problematiek en hij lichtte daarom het hogere religieuze echelon in. Buiten medeweten van pastoor Rops stuurde hij op 6 juni 1927 een rekest aan Petrus Hopmans, bisschop van het bisdom Breda, waaronder de parochie Hulst ressorteerde.

(Katholieke Illustratie 01-08-1914, 48e jaargang nr. 44, 689).

Monseigneur Adrianus Petrus Willem Hopmans,  gekleed in vol ornaat bij zijn benoeming tot bisschop van Breda (1914 tot 1951).
Gedurende het conflict van Rouleau met het r.-k. kerkbestuur onder voorzitterschap van pastoor-deken Rops kreeg bisschop Hopmans meerdere, deels in beledigende taal geformuleerde, klachten van de architect op zijn bureau. Hoewel Zijne Doorluchtige Hoogheid diens bezwaren terugverwees naar parochieniveau en via zijn secretaris aan de architect liet weten van hem geen correspondentie meer te willen ontvangen, bleven de aangetekende brieven uit Hulst komen.

In zijn klachtbrief bracht Rouleau eerst artikel 7 van het contract van 1921 als volgt onder de aandacht: “Het kerkbestuur heeft het monument verwaarloost en zelfs het noodige onderhoudswerk niet gedaan vanaf de oprichting d.d. 5 juni 1921”. Hierna kwam hij met een hiermee samenhangende factor, die ook zijn woede had opgewekt. Het betrof een initiatief van het zogeheten“Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning”. Deze commissie was voortgekomen uit het feestcomité voor het recente 25-jarig priesterjubileum van pastoor Rops in februari 1927 en was juist gestart met een reeks huis-aan-huis collectes voor een nieuw Heilig Hartbeeld. De inzameling was echter niet bedoeld om het vermolmde houten beeld in Rouleau’s monument te vervangen, maar om een gloednieuw heiligdom elders in Hulst op te richten! Binnen de toenmalige gezagsverhoudingen moet pastoor Rops deze weinig respectvolle actie ten opzichte van de architect hebben gekend en goedgekeurd, zo niet aangemoedigd of zelfs geïnitieerd.

Gedeelte van een van de door burgemeester Bernard Truffino ondertekende inschrijvingslijsten voor een compleet nieuw op te richten H. Hartmonument in Hulst. Uit de aanwezigheid van meerdere intekenlijsten in het gemeentearchief van Hulst blijkt, dat deze inzamelingsactie meerdere jaren beliep. Tegen de achtergrond van de kwestie van het achterstallig onderhoud van het door Rouleau aan de parochie geschonken monument in de kerktuin was dit initiatief een klap in het gezicht van de architect. Zijn boosheid was dan ook te begrijpen.

(GAH Willibrordusparochie, archief van pastoor en kerkbestuur, inv.nr. 188, 2, 16-06-1927 )

De gekwetste Rouleau wond zich in zijn brief aan de bisschop flink op: “De oprichting van dit 2e H. Hartmonument is m.i. een bespotting van het H. Hart, een openlijke beleediging van (wijlen) den Hoogeerw. Heer F.A. Luijkx (…) een nieuw monument elders in Hulst is dan een daad van haat, en niet van geloof en eer aan de koning der koningen”. Vervolgens deed hij een beroep op de monseigneur om aan pastoor-deken Rops en het kerkbestuur op te leggen artikel 7 van het betreffende contract na te komen en het oprichten van een nieuw H. Hartmonument in de stad te verbieden26.
Twee dagen later ging er ook een schrijven naar de pastorie, waarin met geen woord gerept werd over het rekest aan de bisschop van Breda. En in plaats van een regen aan klachten bevatte de brief een aanbod ‘à la contract 1920’ met de belofte om“op mijn kosten een nieuw steenen H. Hartbeeld te doen plaatsen” 27.
Het afwisselen van protesteren en paaien was een typerende handelwijze van Rouleau om zijn zin door te drijven bij kwesties, die hem niet aanstonden. En al stond hij daarbij wel eens in zijn recht, het is zijn tragiek, dat hij in zijn correspondentie de grenzen van het fatsoen overschreed en hierin volhardde, ook al werkte deze aanpak averechts.
Bisschop Hopmans liet zich niet commanderen en beantwoordde de brief van 7 juni 1927 dan ook niet. Op het aanbod van een gratis nieuw beeld werd aan het r.-k. kerkbestuur wel gereageerd. Pastoor Rops deelde fijntjes mee “dat een H. Hartmonument wordt tot stand gebracht door de bijdragen van alle parochianen” 28. Dit antwoord beviel Rouleau helemaal niet en nu ging er protest met dreigementen richting pastorie. Als er niet snel begonnen werd met het aanpakken van het achterstallig onderhoud zou “Monseigneur de bisschop van Breda” worden ingelicht. Deze voorstelling van zaken was niet zuiver, want hij had bisschop Hopmans onlangs al aangeschreven. Mocht dat niet helpen ging er op “voorspraak van Zijne Eminentie Kardinaal Van Roeij”29linea recta een bezwaarschrift naar “Zijne Heiligheid de Paus”. Was zelfs de hoogste geestelijke bijstand vergeefs, dan zat er niets anders op dan de rechtbank in te schakelen om de naleving van de overeenkomst van 1920 af te dwingen30.

Ter illustratie van de vele boze brieven, die architect Jos Rouleau rondstuurde aan de pastoor van Hulst, de bisschop van Breda en ten slotte ook aan de aartsbisschop te Utrecht hier een gedeelte uit het  schrijven van 9 juli 1927 van Rouleau aan pastoor Rops. Transcriptie:
“Het behoorlijk onderhoud van het H. HARTMONUMENT en te zorgen dat zulks er mooi uitziet moet geschieden ter eere van het H. HART, bij verwaarloozing onteerd u niet de stichter maar God zelf tot wiens meerder eer het monument gezet is, daarom zal ik ook als het kerkbestuur nalatig blijft door tussenkomst van Monseigneur of door de Rechtbank tot behoorlijke nakoming van het contract verplichten”.

(Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 27)

De onverholen dreigementen maakten geen enkele indruk op de pastoor. Rops stuurde stoïcijns een krabbeltje terug, waarin hij met een wat treiterige boodschap nog wat meer zout in de wonden van de architect wreef: “Naar ik hoor is de opbrengst der collecte voor een nieuw H. Hartbeeld nog al meegevallen”31, [d.w.z. de collecte voor een nieuw beeld elders in Hulst].
Het had er nu alle schijn van dat het houten Heilig Hartbeeld in de kerktuin rustig verder zou rotten en  Rouleau’s monument binnenkort overbodig zou zijn door een elders in Hulst te verrijzen heiligenbeeld in een nieuw te bouwen heiligdom.

4.          De Plaquettekwestie

Het ontwijken van de onderhoudsplicht aan het stenen monument inclusief het houten Heilig Hartbeeld, de weigering om het aanbod van een gratis nieuw beeld te aanvaarden en het voornemen om een compleet nieuw ‘Heilig-Hart-heiligdom’ op een andere locatie in Hulst op te richten had bij Rouleau zoveel kwaad bloed gezet, dat hij overging tot een eigenmachtige vergeldingsmaatregel. Hij liet een gedenkplaat op het monument aanbrengen, die in het oorspronkelijke concept was opgenomen. Op het moment van de intronisatie op 5 juni 1921 was deze plaquette nog niet klaar en om onbekende redenen daarna niet meer  aangebracht. De diepgelovige Jos Rouleau had de nodige moeite gedaan voor een specifieke tekst op de gedenkplaat op het basement. Voor een passend citaat was hij te rade gegaan bij pater Joachim, een r.-k. priester uit het klooster van de “paters der HH. Harten” te Ginneken, die hij zeer waarschijnlijk kende uit de relatief korte periode in 1919, waarin hij zelf in dit dorp bij Breda woonde. De zelf bedachte suggestie “Kroont de Koning der Koningen” wees de pater pertinent af, want volgens  de instructie van Rome betekende intronisatie geen ‘kroning’, maar een plechtige erkenning van het miskende koningschap van Jezus Christus32. Pater Joachim deed op zijn beurt ook veel moeite en stuurde drie volgeschreven kantjes met zo’n zestig (!) mogelijke citaten in het Latijn en het Nederlands. Toch koos Rouleau voor een eigen tekst “Heersch in aller harten”.
Sinds de intronisatie bleef het aanbrengen van de plaquette zeven jaar uit, maar binnen de context van het conflict over het onderhoud van zijn monument werd het nu een kwestie van grote importantie en urgentie. Goed wetende, dat het olie op het vuur zou zijn, schreef Rouleau op 14 juni 1927 aan Rops: “Hoogeerwaarde Heer, Beleefd deel ik U Hoogeerw. mede dat ik, gevolg gevende aan de wensch van wijlen den Hoogeerw. Heer Luijkx, Deken, een opschrift op het basement zal laten aanbrengen, wat tot verfraaiing zal medewerken”33.

De schets van de gedenkplaat voor het monument van het Heilig Hartbeeld is gedateerd 5 juni 1921, de dag van de intronisatie, maar op deze zondag was de plaquette nog niet gemaakt. Van plaatsing kwam het ook daarna niet, mogelijk in verband met het overlijden van pastoor-deken Luijkx in 1922. Uit onvrede over het achterwege blijven van onderhoud aan monument en heiligenbeeld bracht Rouleau half juli 1927 de plaquette eigenmachtig aan, wat leidde tot intensivering van het conflict tussen hem en het r.-k. kerkbestuur van Hulst. Op de gedenkplaat stond de tekst “Heersch in aller harten”, de datum van de intronisatie, de naam van de toenmalige pastoor-deken van Hulst en die van de architect.

(GAH Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 58)

De schriftelijke aankondiging van het eigenzinnige voornemen viel slecht op de vergadering van het r.-k. kerkbestuur van 27 juli 1927, zeker toen bleek dat het opschrift al op het monument was aangebracht. Daarnaast bleef de architect maar doordrammen over de artikelen in het onderhandse contract, rakende het achterstallig onderhoud. Hoog tijd voor een aanschrijving met twee nadrukkelijke standpunten.

1.

“Zonder onze toestemming mocht de gedenksteen met opschrift niet geplaatst worden. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat zulks de wensch was van den Hoogeerw. Deken Luijkx en evenmin is het de wensch van onzen Edelachtb. oud-Burgemeester [d.i. Frans van Waesberghe]. Daarom verzoeken wij UEd. den gedenksteen te laten verwijderen.”

2.

“Wat verder de gezegde overeenkomst betreft, waarover U schrijft, deze heeft niet de Bischoppelijke goedkeuring en heeft daarom voor ons geen kracht aangezien het Reglement der Kerkbesturen, Koninklijk goedgekeurd, bepaalt, dat zonder Bisschoppelijke goedkeuring, schriftelijk verleend, de kerkbesturen geen verplichtingen en lasten mogen opnemen”34.

Het argument van de machtiging van de bisschop was volkomen valide, maar merkwaardig genoeg kwam men hier wel erg laat mee op de proppen. Binnen de hiërarchische35 machtsstructuur van de Rooms Katholieke Kerk hebben parochiebesturen voor bijna alle handelingen, met name die van juridisch-financiële aard, de episcopale toestemming nodig. De bisschop is immers verantwoordelijk voor het beheer van kerkelijke bezittingen, waaronder het voorkomen van geldelijke risico’s en onverstandige beslissingen. Het r.-k. kerkbestuur van de parochie Hulst had dit kunnen weten, toen het in 1920 naliet aan de bisschop van Breda toestemming te vragen om het onderhandse contract te mogen tekenen. 

Met het argument van de bisschoppelijke toestemming verschoof de focus in het conflict van de gedenkplaat naar het contract in zijn geheel. Omdat Rouleau het vertikte  de gedenkplaat weg te halen, verdween deze pas met het wegbreken van het hele monument.

Er zijn maar een paar foto’s waarop het H. Hartmonument van Jos Rouleau in de kerktuin zichtbaar is. Het gebouwtje stond er relatief kort en van buiten het smeedijzeren hek rondom de kerk was het door de begroeiing niet (altijd goed) te zien. Of het gebouwtje fotogeniek was, is ook nog de vraag. Van een afstand had het veel weg van de karakteristieke ronde reclamezuilen in Parijs gedurende het “Fin de Siècle”36.

(Bronlocatie onbekend)

5.          De razende Rouleau

Als reactie op de schriftelijke tegenaanval van het r.-k. kerkbestuur van 29 juli produceerde Rouleau onmiddellijk meerdere protestbrieven. De “Hoogeerwaarde Heer (Rops) en WelEd. Geb. Heeren (leden van het r.-k. kerkbestuur) kregen nu naast de al eerder gebruikte dreigementen ook wat straffere intimidatie voor de kiezen. Vanwege de nu expliciet aangegeven contractbreuk ging “de zaak aan al de dagbladen bekend gemaakt worden” , zo werd beloofd en als dit niet hielp zou de ‘Wrekende Voorzienigheid’ onontkoombaar neerdalen voor deze “daad die eenmaal door God zal gestraft worden”37. Ook monseigneur Hopmans moest het weer ontgelden. De schijnbaar respectvolle opening  met de meest verschuldigde eerbied” en “Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid”, werd al snel teniet gedaan door het minder fraaie vervolg. De architect vond, dat de bisschoppelijke goedkeuring van de akte moest worden toegekend en hij verwachtte een audiëntie bij Zijne Eminentie te krijgen. Zonder goedgunstig antwoord of een persoonlijk onderhoud zou hij via een advocaat het kerkbestuur voor de rechtbank slepen en de pers inlichten38. Als Rouleau al besefte, dat hij met dit onbehoorlijk schrijven zijn hand flink had overspeeld, was daar niets van te merken. Tijdens een onderhoud op 1 augustus met kerkbestuurslid Ernst Wilking ventileerde hij zijn vaste overtuiging, dat er  een bisschoppelijke ratificatie van de akte aankwam.
De volgende dag al kwam de ontnuchtering uit Breda.

De korte reactie loog er niet om:
 “De onheusche bedreiging, waarmede Uw laatste schrijven sluit, laat Mgr niet meer de vrijheid de aangelegenheid van het H. Hart-monument met U te bespreken of te behandelen. Trouwens meent Z.D.H., dat U niet redelijk optreedt ten opzichte van het R.K. Kerkbestuur”39.
De ondertekening was al even veelzeggend als de inhoud. Bisschop Hopmans verwaardigde zich niet om zelf te ondertekenen, maar liet secretaris Jos Baeten namens hem een handtekening zetten.
De bisschoppelijk uitbrander werkte op Rouleau als de rode lap op de stier. Hij zette zich aan  een onsamenhangend schrijfsel, waar de emotionele vonken van afsloegen, maar vrijwel zonder feitelijke argumenten. In plaats van  onderdanige aanspreektitels stond er alleen een bits “Monseigneur!”. Excuses voor de dreigementen in zijn vorige brief werden niet gemaakt. Integendeel, Monseigneur moest er juist begrip voor hebben, omdat ze “uit rechtmatigen toorn” waren voortgekomen.

Na de inleiding moest eerst  de handelwijze van het r.-k. kerkbestuur het ontgelden. Het niet aanvragen van de bisschoppelijke toestemming voor het onderhandse contract in 1920 was “een groote nalatigheid” en de recente ontkenning van de geldigheid ervan “onteerend voor de Koning der Koningen!  Hij zal heerschen ondanks Zijne vijanden”. Vervolgens kroop Rouleau heel zielig in de slachtofferrol. Hij begreep er niets van, dat de kerk zich juist tegen hem keerde, een “oppassende huisvader van 6 kinderen, die drinkt noch rookt, die nog geen enkel Café bezocht in het kroeglevende Hulst”

Tussen 1915 en begin augustus 1920 waren er in het gezin Rouleau zes kinderen geboren en in 1928 kwam daar nog een tweeling bij. Op de foto uit 1930 zien we v.l.n.r. Joseph Emma (1918), Antonius Emma (1921), vader Jos, Maria Josepha (1910) met in haar handen Remi Maria (1928), moeder Emma Nagels, Petrus Emma (1923) en staand rechtsboven Marcel Philippe (1915). Tweelingdochter Theresia Maria zit tussen haar moeder en haar tweelingbroertje. De oudste zoon Antoon Frans (1909) ontbreekt. Rouleau zal naar katholieke maatstaf beslist een deugdzaam huisvader zijn geweest, het kinderrijke gezin spreekt boekdelen, maar als argument in zijn brief aan de bisschop was het totaal niet ter zake.

(Zeeuws Tijdschrift 01-09-2007, 8)

De tirade werd voortgezet  op het nog veel bedenkelijker niveau van vuilspuiterij: “Waarom beschermt de HoogEerw. Heer P. Rops een onderwijzer, die niet te noemen onz. Feiten pleegde volgens mededeeling van ’t meisje zelf. De deken antwoordde tegen mijn dochtertje ‘Het meisje is me te slecht om te onderhooren’. Maar desondanks bleef het slechte meisje op school, en de onderwijzer gehandhaafd en zit nog wel in ’t nieuwe Comité voor ’t nieuwe H. Hartmonument!!” (…) In deze tijden moeten onze voormannen geen huichelaars zijn, wiens huichelachtig gedrag toch door hunne daden aan het daglicht komt”. 
De klaagzang eindigde met een laatste niet zake doende grief “En wat te denken van een wijnreclame die zich niet ontziet de oude Willybrorduskerk daarvoor te gebruiken”
Vergeleken met de onbehoorlijke scheldkanonnade is de afsluiting van het epistel “Vertrouwende op een gunstig antwoord verblijf ik met de meeste Hoogachting en eerbiedigste trouw” bijna komisch te noemen40.

6.         Exit Heilig Hartmonument

Vier dagen later was Rouleau weer bij zinnen gekomen. Hij schreef althans een korte zakelijke nota aan bisschop Hopmans en sloot hierbij het voor de kwestie relevante onderhandse contract van 1920 in. Het mag een klein wonder heten, dat er antwoord uit Breda kwam. 

 Zoals uit nevenstaande brief41blijkt, weigerde Monseigneur Hopmans aan de bewuste akte zijn bisschoppelijke toestemming te verlenen op grond van “de zeer bezwarende bepaling van art. 4”. De omstreden bepaling uit het contract van 1920 luidde “Contractant eenerzijds verplicht zich het bovengenoemde H.Hartmonument te laten staan gedurende het leven van contractant anderzijds, van diens echtgenote Emma Naegels, en van de rechtstreeksche afstammelingen”. De bisschop, binnen de r.-k. hiërarchie verantwoordelijk voor het financiële beleid van de parochie, kon inderdaad bezwaarlijk instemmen met een ‘oneindige’ onderhoudsplicht, die het r.-k. kerkbestuur van Hulst op hoge kosten zou jagen.
Tegelijk kreeg de architect het dringende advies “U gelieve met het Kerkbestuur vriendschappelijk te onderhandelen”. En warempel, de aansporing van Zijne Eminentie leek vruchten af te werpen. 

Rouleau liet het r-k. kerkbestuur weten overleg te willen plegen om te komen tot een minnelijke schikking en hij kreeg prompt een positieve reactie van pastoor-deken Rops42. Deze opening zorgde in augustus en september 1927 voor meerdere constructieve overlegrondes, die twee positieve intentieverklaringen opleverden. Het vrijwel gedegradeerde houten Heilig Hartbeeld zou door een nieuw exemplaar in steen vervangen worden en men zou werk gaan maken van het achterstallig onderhoud43. Maar de goede verstandhouding was geen lang leven beschoren. Met het plaatsen van een nieuw stenen beeld in de halfronde nis in de kerktuin werd het eerste voornemen inderdaad uitgevoerd44.  Weldra waren de eerste barstjes in de zo voorbeeldig lijkende verhoudingen alweer zichtbaar. Pastoor Rops informeerde herhaaldelijk naar de bisschoppelijke toestemming van het onderhandse contract, waarvan ook hij moest weten, dat die nooit zou komen. Ook stond de kwestie van de op het voetstuk van het beeld  aangebrachte gedenkplaat (zie paragraaf 4) weer op de agenda: “Wat de gedenkplaat betreft, deze mag op het monument, niet op het voetstuk van het beeld geplaatst worden. Ook wordt geen toestemming verleend om daarop het Kerkbestuur te vermelden met de namen van den HEerw. Deken Luijkx en de Edelachtb. Heer F. van Waesberghe. Alleen Uw naam mag vermeld worden”45, aldus Rops aan Rouleau. De architect liet zich echter niet omverpraten; de plaquette bleef onverbiddelijk onveranderd waar hij zat. Omdat beide partijen de hakken opnieuw in het zand hadden gezet, kwam er van de in het contract vervatte onderhoudsplicht niets meer terecht.
Het bestaande plan voor een H. Hartmonument op een andere locatie in de stad gooide nog meer olie op het vuur. Rops wreef het er bij Rouleau nog maar eens goed in: “Persoonlijk heb ik daar niet op tegen, om het bestaande monument nog een aantal jaren te onderhouden, ofschoon ik er feitelijk niet veel voor gevoel, vooreerst omdat waarschijnlijk na een paar jaren een H. Hartbeeld zal verrijzen op een openbare plaats in de gemeente en tweedens omdat het bestaande monument veel minder is dan H. Hartmonumenten in andere parochies en gemeenten in den omtrek, terwijl ik toch meen, dat onze parochie vooraan moet staan, indien althans ons streven is om het H. Hart op waardige wijze te huldigen in onze parochie”46. Uit het citaat blijkt, dat de lat voor een nieuw gedenkteken erg hoog lag. Het in februari 1927 in het leven geroepen “Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning” (zie paragraaf 3) had in korte het niet onaardige bedrag van zo’n fl. 1200,- bij elkaar gecollecteerd. Om de andere H. Hartmonumenten in de regio de loef af te steken was deze geldsom  nog lang niet toereikend 47en dus werden er wat tandjes bijgezet. Dankzij de bereidwilligheid van burgemeester Bernard Truffino in zijn rol van voorzitter van de inzamelingscommissie mochten de huis-aan-huis-collectes over een langere periode doorgaan en in het katholieke deel van de kerk48kwam een speciaal voor dit doel aangeschaft inbraakbestendig offerblok te hangen.

Voorbeeld van een van de intekenlijsten ten bate van een op te richten H. Hartmonument in Hulst op een nog nader te bepalen plek.  De handtekening van burgemeester Truffino is het formele bewijs, dat voor dit religieuze goede doel een vergunning bij de gemeente was aangevraagd en verleend. Er zitten behoorlijk wat van deze formulieren in het gemeentearchief, zowel blanco als voorzien van de namen van de gulle gevers, verspreid over meerdere jaren. Als voorzitter van de ad-hoc-commissie en burgemeester was het voor Truffino heel gemakkelijk om vergunning voor deze collectevorm te vragen resp. te verlenen.

(GAH H. Willibrordusparochie, archief van pastoor en kerkbestuur, inv. nr.188, 16, 30-05-1928)

De aanschaf van een inbraakvrij offerblok was beslist geen overbodige luxe. Het indertijd verschijnende regionale ‘Hulsterblad’ stond vol met “kerkbraken”, waarbij regelmatig kostbaarheden en geld spoorloos verdwenen. Met relatief grote bedragen in simpele houten kistjes en blikken busjes werd het de dieven wel erg gemakkelijk gemaakt. De kwaliteit van de sloten van offerblokken was vaak zo bedenkelijk, dat openen een fluitje van een cent was. Bovendien waren de bevestigingspunten meestal goed bereikbaar, zodat kleinere offerkistjes en -busjes moeiteloos werden meegenomen.
Het offerblok, dat het “Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning” in Hulst gekocht had bij Prudent de Moor, ijzerhandelaar en dealer van de gerenommeerde brandkastenfirma Lips in Dordrecht, was van een heel ander kaliber. Het zou inbrekers veel tijd en moeite kosten om dit minibrandkastje met dikke metalen wand, onbereikbare bevestiging, veilige inwerpsleuf en nagenoeg inbraakvrij slot open te breken. Dit topmodel was de aanschafprijs van veertig gulden wel waard.

(GAH H. Willibrordusparochie, archief van pastoor en kerkbestuur, inv. nr. 188, 15; ongedateerde prospectus van de firma Lips voor een hangend inbraakvrij offerblok-brandkastje)

De geringe waardering van het r.-k. kerkbestuur en het “Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning” voor Rouleau’s bestaande H. Hart-monument in combinatie met het plan om een dergelijk monument ergens anders in de stad op te richten moet voor de architect erg zuur zijn geweest. De stroom aan klachtschriften richting pastoor en bisschop was daar een duidelijke weerslag van. Met zijn bekende grillige gedrag greep hij na de boze klaagschriften nu weer terug op zoetelijk vleien. Als hij het nieuwe monument mocht ontwerpen zou daar een geldelijke bijdrage voor de totstandkoming tegenover staan49. Tegen de achtergrond van  de nog steeds slepende kwestie m.b.t. zijn eigen monument in de kerktuin was dit echt tegen beter weten in. Het r.-.k kerkbestuur zou zijn vingers niet meer aan een voorstel van Rouleau willen branden.

In de periode 1929 tot en met 1931 raakte de correspondentie over het ‘monumentenconflict’ helemaal opgedroogd. Uit de spaarzame berichtgeving daarna, tussen 1932 en 1937, blijkt, dat de ‘status quo’ betreffende het bestaande en het nog op te richten H. Hartmonument onveranderd bleef. Wel zijn er een paar nuances waarneembaar. Bij het “Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning” was de liefde voor een nieuw H. Hart-heiligdom zo goed als uitgedoofd. Terwijl de inzameling hiervoor gewoon werd aangehouden, besloot het comité in 1932 om de gulle gaven van de parochianen te besteden aan de omvangrijke restauratie van het kerkgebouw. De vergadering van het r.-k. kerkbestuur verwierp deze beslissing met algemene stemmen50, maar daar bleef het dan bij. Niets wijst erop dat er actief gezocht is naar een bouwmeester voor het monument voor een nieuw H. Hartbeeld. Wel maakte architect Jos Cuypers, belast met de grote restauratie van het kerkgebouw tussen 1931 en 1933, op persoonlijke titel schetsen voor een nieuw heiligdom, maar zijn ontwerp vond geen genade bij het r.-k. kerkbestuur51. Rouleau bleef ‘persona non grata’ en een andere naam duikt in de bronnen niet op. Verder was er alleen maar ‘radiostilte’, die in mei 1937 bruusk werd verbroken: het monument is afgebroken.

Een van de spaarzame afbeeldingen waarop het H. Hartmonument van Rouleau in beeld komt. De foto is genomen op het punt, waar het Cornelis de Vosplein in de Houtmarkt overgaat. Het plaatje kan gedateerd worden tussen 5 juni 1921,  de datum van de plechtige inwijding en het moment in 1935, toen in het kader van de restauratie van de kerk het hier nog aanwezige  ijzeren hek rond het gebouw  werd vervangen door de nog bestaande stenen muur.

7.       De laatste stuiptrekkingen

Het precieze moment waarop het Heilig Hartmonument in de tuin van de Willibrorduskerk werd afgebroken is niet bekend. Evenmin weten we of er een of meer specifieke redenen binnen het conflict zijn geweest, op grond waarvan het r.-k. kerkbestuur tot deze drastische maatregel overging. Zelfs Rouleau, wiens pennestrijd in 1927 veel concrete informatie opleverde, blijft vaag. In een niet gedateerde persoonlijke nota met een opsomming van een aantal ijkpunten van de ‘monumentkwestie’ schrijft hij:

“In 1927, begin[t] de tegenwerking door kerkbestuur ze wil  ’t mon.[ument] afbreken”

(GAH Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 7 (ongedateerd)

En even verderop in hetzelfde kladbriefje:

” No 51 [= volgnummer in archief van Rouleau] H.H.M. [afkorting van Heilig Hart Monument] op 5. Dec. 1933 was ’t mon. [ument] voor ’t H.H. 12½ jaar te Hulst gebouwd”.

Uit de twee bovenstaande aantekeningen kunnen we afleiden, dat het r.-k. kerkbestuur in 1927 al van zijn monument af wilde, maar dat het bouwwerk  begin december 1933 nog bestond.
Een voor Rouleau zeer beleefde brief aan pastoor Rops van 29 mei 1937, waaruit hieronder een gedeelte, bevat de eerste directe informatie, dat het H. Hartmonument in de kerktuin was afgebroken. 

De brief van Frans Rouleau, het deel met de datum 29 mei 1937 met de passage “U hebt het monument laten afbreken, zonder nog eerst nader overleg te plegen (…).

(GAH Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 4, 29-05-1937)

Een beroep op het r.-k. kerkbestuur voor wederopbouw was natuurlijk ijdele hoop, maar Rouleau bleef nog steeds losgezongen van de werkelijkheid. Hij passeerde  bisschop Hopmans door een beroep te doen op aartsbisschop de Jongh, het hoofd van de Nederlandse kerkprovincie en de Nederlandse bisschoppen. Op zijn verzoek om het r.-k. kerkbestuur te Hulst te gelasten het afgebroken H. Hartmonument weer op te bouwen kwam geen reactie. Na maanden wachten herhaalde Rouleau zijn bede op 25 oktober 1937. Na vijf dagen lag er een reactie van “Zijne Hoogwaardige Excellentie” op de mat. Uit het antwoord bleek, dat de raderen van de bisschoppelijke hiërarchie nog steeds feilloos draaiden:

(GAH Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 52, 20-10-1937)

En nog steeds was hij het niet beu, nog steeds werd de handdoek niet in de ring gegooid. Onvermoeibaar bleef Rouleau corresponderen, in november nog één keer met een rekest aan de bisschop van Breda, daarna alleen nog op parochiaal niveau. Anders dan de scheldkanonnnades in 1927 was van boosheid in geschrift geen sprake meer. De zoetelijk beleefde toonzetting deed overigens niets af aan de inhoud. Onverminderd naïef en optimistisch bleef hij vragen om en geloven in een heroprichting van zijn gesloopte H. Hart-heiligdom in de tuin van de kerk. Het wekt inmiddels geen verwondering meer, dat het draaiboek van 1920 er weer werd bijgehaald: het te herbouwen monument zou zijn ontwerp moeten zijn, onder zijn leiding gebouwd en uitgevoerd worden en alles zonder honorarium aan hem te hoeven betalen. In de correspondentie van Rouleau in het gemeentearchief zijn uit deze periode geen brieven van Rops namens het r.-k. kerkbestuur te vinden. Het lijkt op een weloverwogen manoeuvre. Als er al van kerkelijke zijde geschreven werd, betrof het een kattebelletje met het verzoek aan de architect voor een informeel gesprekje, dat niet genotuleerd werd. Van deze onderonsjes vernemen we in correspondentie van Rouleau zelf soms een vage weerslag, zoals in de brief hieronder.

Ter illustratie het eerste blad van een aan pastoor-deken Rops gericht schrijven van Frans Rouleau, 3 december 1937. In de periode 1937 – 1945 verzond de architect nog  regelmatig brieven van dezelfde strekking aan het r.-k. kerkbestuur. Er lijkt iets van progressie in de ‘Heilig Hartbeeld-story’ te bespeuren, maar de schone schijn verhult de werkelijkheid nauwelijks. Blijkbaar hield de “gewaardeerde medewerking tot eene behoorlijke regeling” de belofte in van herbouw, maar dan wel in de toekomst. Rouleau wil immers liever“dat ’t H. Hart. monument in 1938 of 1939 moet gebouwd en onthuld worden”

[GAH Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 55, 03-12-1937).

De goedgelovigheid van Rouleau kende werkelijk geen genzen. Terwijl zijn monument nog niet zo lang geleden was afgebroken, dacht hij – zo blijkt uit bovenstaand briefdetail – “eene behoorlijke regeling” te zijn overeengekomen voor de spoedige wederopbouw ervan. Waarom zou het kerkbestuur het bouwsel laten afbreken om het na een half jaar weer op te bouwen? Ook het prestigeproject van het “Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning” tot het laten maken en oprichten van een nieuw H. Hartmonument op een andere plaats in de gemeente ging definitief ter ziele. Eind 1939 werd al het door de ‘goedgelovige’ parochianen hiervoor bijeengebrachte geld, fl. 1900,- overgemaakt op de rekening van het r.-k. parochiebestuur52. Hoewel het zich al geruime tijd had overleefd, hief het ‘Comité’ zich begin februari 1941 pas op. Het is niet te achterhalen waar het  bedrag van de inzamelingsactie aan werd besteed, in ieder geval niet aan een groots nieuw H. Hartmonument ter huldiging van Christus onzen Koning. 
De laatste brief in Rouleau’s archief (7 juli 1945) in de ‘monumentensoap’ zijn we alweer acht jaar verder. Hoewel de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld vertragend zal hebben gewerkt, heeft het er toch alle schijn van dat Jos Rouleau in dit melodrama door het ‘r.-k. kerkbestuur achttien jaar lang vakkundig aan het lijntje is gehouden.

Uiteindelijk was het ‘H. Hartbeeld’ niet zo heilig gebleken.
Het langdurige conflict over het Heilig Hartmonument van Jos Rouleau in de kerktuin en het voornemen om een geheel nieuw heilig bouwwerk op een andere locatie in Hulst op te richten kende in devotioneel opzicht geen winnaars. Het monument in de kerktuin hield het elf jaar uit tot het zonder pardon in 1937 werd gesloopt. Het groots opgezette project van een ander monument elders in de stad bleef al steken tijdens de ‘collectefase’. Serieuze pogingen voor een ontwerp en architect komen uit de bronnen niet naar voren. Financieel en ethisch gezien waren alle donateurs, die in het groot door middel van intekenlijsten of met kleingeld in offerblokken een aanzienlijke geldsom bijeengebracht hadden voor het “Comité tot Huldiging van Christus onzen Koning” de grote verliezer. Het beloofde doel werd onverhoeds opgegeven en er kwam iets anders heiligs kwam er niet voor in de plaats. De gulle gaven verdwenen daarentegen via de lopende rekening van het r.-k. kerkbestuur naar een niet te traceren uitgavepost.
Financieel gezien zou het parochiebestuur als winnaar kunnen worden gezien, maar in ethisch opzicht allerminst.
Jos Rouleau zal vanuit zijn katholieke geloofsovertuiging beslist oprechte motieven hebben gehad voor de schenking van het Heilig Hartmonument en zijn strijd voor het onderhoud en behoud ervan. Jarenlang werkte het kerkbestuur hem handig tegen met zijn trainerende tactiek. Ook moest de architect de vernedering ondergaan van het project tot de oprichting van een ander Heilig Hartmonument en de afbraak van zijn eigen creatie. Desondanks was het toch zijn tragiek, dat hij door het opblazen van een verschil van mening tot een vlijmscherp conflict , waarin hij in zijn schriftelijke communicatie doorsloeg in  ongemanierdheid en dreigementen, niets positiefs bereikte.

Koperen muurplaat met naam en beroep van Jos Rouleau, eertijds bevestigd op de voorgevel van de woning van de architect.

(GAH Collectie Particulieren XXII, coll. Rouleau, doos bibliotheek)

B I J L A G E

Het onderhands contract van 12 november 1920 tussen Jos Rouleau en het r.-k. kerkbestuur te Hulst

(GAH Collecties Particulieren XXII, collectie Rouleau, I, 17, 1)

Transcriptie onderhands contract
Opgemaakt 10 november 1920, ondertekend 12 november 1920.

artikel 1.

Contract tussen het r.-k. kerkbestuur te Hulst (de “contractant enerzijds”) en architect  Frans Peter Joseph Rouleau (de “contractant anderzijds”) betreffende de bouw van een H. Hartmonument door de architect in de tuin van het kerkgebouw aan de zijde van het Cornelis de Vosplein.

Contractant 1 keurt het ontwerp onvoorwaardelijk goed en geeft in alles de volledige vrijheid van uitvoering.

artikel 2.

Contractant 2 zal geheel gratis de bouw, incl. het grondwerk en het rooien van planen en struiken e.d. verrichten.

artikel 3.

Contractant 1 levert een H. Hartbeeld [en twee of drie ronde hardstenen].

artikel 4.

Contractant 1 verplicht zich het monument te handhaven gedurende het leven van Frans Rouleau, zijn echtgenote Emma Naegels en de rechtstreekse afstammelingen.

artikel 5.

Contractant 1 mag het monument niet verbouwen of verplaatsen dan na toestemming van contractant 1 of diens rechthebbenden.

artikel 6.

In geval van vernieling door brand of anderszins laat contractant 1 het monument in de oorspronkelijke bouwwijze opbouwen op eigen kosten door contractant 1 of een erfgenaam, indien deze zelf architect is. Deze erfgenaam mag geen honorarium in rekening brengen.

artikel 7.

Contractant 1 verplicht zich het monument behoorlijk te onderhouden en noodzakelijke werkzaamheden tot instandhouding te laten verrichten op eigen kosten.

artikel 8.

Contractant 1 laat de tuinaanleg gratis ontwerpen door contractant 2, die ook de algehele leiding over het hele werk krijgt. De keuze van de beplanting is aan contractant 1, waarbij contractant 2 beslist of de keuze uit esthetisch oogpunt aanvaardbaar is.

artikel 9.

Contractant 1 geeft aan contractant 2 het recht van verveelvoudiging/reproductie van het monument (op grond van de auterswet van 1912, uitsluitend recht) en het plaatsen van de naam van de opdrachtgever op het monument.

artikel 10.

Op de dag van de onthulling gaat het monument over in eigendom van contractant 1.

Opgemaakt te Hulst, 10-11-1920.

Getekend F.A. Luijkx, voorzitter kerkbestuur; F. van Waesberghe, secretaris en F. Rouleau, architect.

Titanengevecht

Een groot gevecht van kleine titanen

De verhouding tussen gereformeerde kerk en magistraat op scherp

I          Kerkenraad en magistraat: een complex vlechtwerk

In het laatste decennium (1785-1795) van de “Verenigde Provinciën”53 ontstond er in Hulst een kortstondig, maar diepgaand conflict tussen de gereformeerde kerkenraad en de magistraat54.
Onenigheid tussen kerkelijke en stedelijke besturen was een regelmatig terugkerend euvel, een uitvloeisel van de Nederlandse Opstand en de Protestantse Reformatie. De lokale overheid wilde niet, dat de vroegere dominantie van de rooms-katholieke kerk werd vervangen door een heerschappij van de gereformeerde gemeente. De kerkenraad was bang om de vrijheid van het verkondigen van de geloofsleer en het handhaven van de kerkorde te verliezen aan een bemoeizuchtige magistraat. Hoe meer raakvlakken er waren bij het opzoeken van de grenzen van de wederzijdse invloedssferen, des te groter was de kans op een confrontatie.
In Hulst waren in dit verband de meningsverschillen over het bestrijden van de rooms-katholieke kerk, de onderlinge verhouding tussen het burgerlijk armbestuur en de gereformeerde diaconie55 en de financiering van de armenzorg drie heel effectieve katalysatoren. De vlam kon echt in de pan slaan als er een aantal draden van het kerkelijke en wereldlijke vlechtwerk samenkwamen in een concreet geschilpunt. Zo’n conflict deed zich begin september 1787 voor, toen een weduwe met achterlating van vier van haar vijf kleine kinderen heimelijk uit Hulst de benen nam. Deze casus geeft een illustratief inkijkje in de verhoudingen tussen de gereformeerde kerkenraad en de magistraat van Hulst aan het einde van de 18e eeuw56Leden van de magistraat voor de periode 16-06-1787 t/a 19-06-1789: burgemeester Pieter Tegelberg; schepenen: Levien van Goethem, Jan van Dortmont, Leonard Koning, Dirk van den Bogaart, Marcus Cardon, Isaac Gallandat. Leden van de gereformeerde kerkenraad voor de periode 21-12-1786 t/a 21-12-1787: de drie predikanten Willem te Water, Johan van der Sloot, Adriaan Cremer; ouderlingen: Frans Romaal, Levien van Goethem, Cornelis Obijn, Dirk van den Bogaart; diakenen: Adriaan Borghstijn, Cornelis Verberkmoes, Berend Aartsink, Antonie(?) Carton.

Frontispice57van het ‘Egtreglement’ voor de zogeheten ‘Generaliteitslanden’, de door de Zeven Verenigde Provinciën veroverde gebieden Zeeuws-Vlaanderen, Brabant en de Limburgse Landen van Overmaas. Al had het huwelijk voor het protestantisme als sacrament afgedaan, als instituut was het nog heilig genoeg om het te behouden en te behoeden. Het op 18 maart 1656 door de Staten-Generaal (De Generaliteit) bekrachtigde ‘Egtreglement’ bevatte strikte bepalingen over huwelijk, relaties en geslachtsgemeenschap. Buitenechtelijke seksualiteit werd categorisch afgewezen en bestreden. Het vrije seksuele leven van de weduwe Vogelhei was voor het plaatselijke gereformeerde kerkbestuur een van de grootste pijnpunten in het conflict met het stadsbestuur van Hulst.

(Egtreglement, over de steeden en ten platten Lande, in de heerlijkheeden en dorpen, staande onder de Generaliteit,
’s-Gravenhage 1664, Universiteitsbibliotheek Gent, BIB. MEUL.003575).

2. Weduwe Vogelhei als de lont in het kruitvat

Op 8 september 1787 had de gereformeerde kerkenraad van Hulst een buitengewone vergadering ingelast met als enig agendapunt de bekostiging van de vier minderjarige kinderen van de weduwe Vogelheij. Op zich was dit niets bijzonders, want jonge gezinnen, waaraan de kostwinner ontviel, vervielen snel in kommervolle omstandigheden, waardoor ze doorgaans meteen in de armenzorg terecht kwamen. Dit onheil trof ook deze weduwe en haar kroost. Omdat in Hulst een burgerlijk armenhuis ontbrak en de gereformeerde diaconie alleen een paar ongebruikte militaire barakken als opvang tot haar beschikking had, moesten veel behoeftigen bij particulieren worden uitbesteed.

In het gedeelte tussen de Dubbele Poort en de Bagijnepooort stonden veel militaire barakken. De gereformeerde diaconie had in dit stadsdeel enkele ervan in bezit als armenbarak, op de plattegrond aangegeven als baracken’.

(GAH, SA, nr. 588, detail plattegrond van Hulst door David Hattinga, 1769).

De weduwe Vogelheij had haar kinderschare kunnen onderbrengen bij Maria Schapekaas, als praktiserend kerklid voor de gereformeerde kerk een veilige keuze, welke liefdevolle opvang door de diaconie dan ook gehonoreerd werd met een kleine vergoeding per kind. Deze ondersteuning stond onverwacht ter discussie door de vrij unieke situatie, dat de moeder vier van haar kleintjes in de steek liet en met haar zes maanden oude jongste dochter vertrok met onbestemde bestemming. Het gereformeerde kerkbestuur zag in het stil wegloopen van de weduwe”58een uitgelezen kans om in één keer onder de bedéling van haar vier arme kinderen uit te komen. De redenering daarbij was, dat naast de overleden vader nu ook de moeder, civiliter mortua”, als gestorven kon worden beschouwd59. Gemakshalve ging men er van uit, dat zij voorgoed verdwenen was, dat haar kinderen als ‘volle wezen’ ten laste van het burgerweeshuis kwamen en zodoende de financiering van het kroost door de diaconie direct beëindigd moest worden. Dominee Adrianus Cremer en diaken Cornelis Verberkmoes brachten het standpunt van het consistorie over aan het stadsbestuur, dat meteen met een ‘resolutie’60 kwam om het belang van de kinderen veilig te stellen. De kerkenraad kreeg hierin de schriftelijke aanzegging om provisioneel (voorlopig) voor de Allimentatie van de voorschreeve Kinderen te zorgen, Immers tot zoo lange daar in de Een of andere wijze Zal weezen voorsien”61. Om in deze kwestie weloverwogen te kunnen beslissen, nodigde de magistraat zowel de Gedeputeerdens uit den Welew. Kerkenraad” als de Heeren Buiten Regenten van het Borgerweeshuis” uit voor een gezamenlijk overleg op 21 september 1787. In deze vergadering betoogde dominee Cremer – mede onder verwijzing naar het structurele financiële tekort bij de diaconie – dat door de vlucht van de weduwe Vogelheij de plicht tot onderhoud van haar en haar kinderen was komen te vervallen. Men zou zich wel kunnen vinden in een eerlijke verdeling van de kosten, maar alleen onder de strikte voorwaarde, dat de kinderen onderdak zouden krijgen in het burgerlijk weeshuis. De heren buitenvaders wezen een dergelijke schikking resoluut van de hand, omdat een weeshuis nu eenmaal een instelling voor ouderloze kinderen was en “gemelde kinderen” dus geenzins tot hun departement” behoorden. Daarop gaf de deputatie van de kerkenraad verontwaardigd te kennen, dat de “Diakonie zich dan insgelijks de zorge dezer kinderen” niet zou aantrekken62.
De toon was gezet!

In het voormalige Minderbroederklooster aan het ’s-Gravenhofplein was één vleugel van het gebouw in gebruik als weeshuis. Het stadsbestuur hield het aantal weeskinderen om budgettaire redenen beperkt. De vroegere kloosterkerk (rechtsonder) deed dienst als wapenarsenaal.

(GAH, SA, nr. 588, detail plattegrond van Hulst door David Hattinga, 1769).

3. De gereformeerde hakken in het zand

Omdat de bespreking van de magistraat, de Heeren Weesmeesteren” en de afgevaardigden van de kerkenraad het conflict had verdiept, vroeg het stadsbestuur de kerkbestuurders hunne sustennen (argumenten) binnen heeden en veertien Dagen aan dit collegie in Scriptis (schriftelijk) te suppediteeren” (over te brengen) en herhaalde voor de zekerheid nogmaals het officiële besluit om provisioneel met den Onderhoud van voorschreve Kinderen zig te blijven belasten”63. Het verzoek om de bezwaren op schrift te stellen was niet aan dovemans oren gericht, want het ongenoegen was in het consistorie inmiddels behoorlijk toegenomen. Een lange vergadering voor het opstellen van de voornaame hoofd-poincten” leverde bijgevolg een langdradig, rijk beargumenteerd verweerschrift op. Dat er van enige toenadering nog geen sprake was blijkt uit de mededeling, dat het onderhouden van de kinderen Vogelheij onder het sterkste protest” en alleen maar uit veneratie voor de laatst toegezondene resolutie” van de magistraat was gedaan64. Onverkort zag men in het stiekeme vertrek van de weduwe een legitieme grond om de kinderen als wees aan te merken, op grond waarvan zij alle vier in het burgerlijk weeshuis thuishoorden in plaats van ten laste te blijven van de gereformeerde diaconie. Als bijkomend voordeel zouden huisvesting en geestelijke en materiële gezondheid daar veel beter geborgd zijn, omdat het voor de diaconie altijd een heidens karwei was om geschikte woonruimte te vinden onder behoorlijk opzicht”, d.w.z. uitbesteed bij godsdienstig betrouwbare kerkleden. In dit verband verzocht het kerkbestuur in het vervolg verschoond te blijven van de herhaalde resoluties van de magistraat om (voorlopig) de betreffende kinderen te blijven verzorgen. 
Als tweede “hoofd-poinct” in het betoog werd de financiële draagkracht van de bekrompene Diakonie” scherp afgezet tegenover het welgeregeld weeshuis”, dat beschikte over een regelmatige inkomstenbron, waaruit eene rijke overvloed ontspringt, dubbel toereikende, om den Armen blijmoedig te onderschragen” (ondersteunen). Vergeleken met de Heeren Regenten van het Arme-Weeshuis, die de handen zoo veel ruimer hebben, dan de Kerkeraad”, moest de diaconie volgens het consistorie altijd met veel te weinig middelen in het levensonderhoud voorzien van alle behoeftigen, terwijl in het voormalige klooster aan het ’s Gravenhof  nooit meer dan een handjevol weeskinderen verbleef. De irritatie op dit punt stond niet op zichzelf. De notulenboeken van kerk en stadsregering bevatten vrijwel de hele 18e eeuw regelmatig vergelijkbare onderlinge geschillen over het faciliteren van de zorg voor armen en wezen. De ‘eeuwige’ constante hierin was het vermeende onrecht van de financiële achterstelling van de diaconie ten opzichte van het weeshuis, wat de kerkenraad als erg onrechtvaardig beschouwde. Om dit extra kracht bij te zetten werd in het klachtschrift nog het precedent opgevoerd van twee kinderen, die al elf jaar in het weeshuis woonden, terwijl de moeder nog leefde. In het schrijven aan de magistraat was de woede inmiddels zo groot, dat de argumentatie vergezeld ging van beschuldiging en dreigement. Zo verweet de kerkvergadering, dat het stadsbestuur weigerde de Heeren Regenten van ’t Armen Weeshuis” te gebieden “om insgelijks zoo veel, tot het provisioneele onderhoud dezer kinderen” bij te dragen. En als de magistraat deze quaestie” nog langer zou laten aanlopen, zou de kas van de diaconie merkelijk uitgeledigd raken”, wat onherroepelijk een versobering van de toch al karige bedeling van de armen zou leiden65.

Op 25 juli 1788 liet de halfjaarlijkse afrekening van de armenkas van diaken Donkersloot een tekort zien van elf ponden Vlaams. We lezen verder, dat dit debet “gerestitueerd” (aangevuld) werd “door den Grooten Ontvanger” (penningmeester) van de gereformeerde kerkenraad. Hij kon op zijn beurt een eventueel kastekort bij de magistraat declareren. Alleen al om deze reden was het met de financiële achterstelling van de diaconie lang niet zo slecht gesteld als de kerkenraad graag deed geloven.

GAH, NHH, nr. 86, fol. 91v, 25-07-1788).

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief